Deborah Micek & Warren Whitlock – Twitter Revolution

 Met een ondertitel How Social Media and Mobile Marketing is Changing the Way We Do Business & Market Online, een voorwoord van Robert Scoble, heeft het schrijversduo Deborah Micek & Warren Whitlock een uitleg over wat Twitter is, wat je ermee kunt doen en verder heel veel tips & aanwijzingen verzameld. Het tweetal is een vleesgworden voorbeeld van hoe mensen elkaar via social media ontmoeten om er vervolgens een vruchtbare samenwerking van te maken. In het eerste deel wordt het hoe en waarom van Twitter uitgelegd, inclusief praktische tips hoe je een account aanmaakt, waarmee je wel en niet begint te twitteren en hoe je aan je eerste volgelingen komt. Deel twee draait om het succes op Twitter. Waarom zouden bedrijven moeten twitteren? Welke applicaties zijn er om te twitteren? Is een correcte spelling belangrijk en wat is die Twitter Whale? Hoe houd je stalkers en wat te opdringerige verkopers op afstand? Deel drie handelt over invloed, overtuiging, personal branding, het aantrekken, verbinden en bekeren van mensen. Kortom: aantrekkelijk maken van je twitter berichten, door Twitter als Public Relations hulpmiddel in te zetten. En hoe leg je nu echt uit wat twitteren is? Gastschrijver Remarkablogger vergelijkt Twitter met sex. Erg plezierig om te hebben, wat lastig uit te leggen aan je kinderen of andere onwetenden. Dit in 2008 geschreven boek zou zonder follow-up snel verouderen, en daarom zijn er ichapters op TwitterHandbook.com met interviews, video’s , FAQ’s, radio-uitzendingen, een overzicht met applicaties, gedachten over de toekomst van social media en een woordenlijst. Niet alleen voor de nieuweling op Twitter, maar ook voor doorgewinterde twitteraars is er best wat te leren uit dit boek: etiquette, de manier waarop vrouwen met social media omgaan, speciaal twitter jargon en interessante applicaties. Het duo schrijft toegankelijk, recht voor de raap en humorvol. Dat houdt conversaties levend, en juist daarvoor is Twitter bedoeld.

Nicoline Mulder & Fokke Wijnstra – De kleine prinses maakt projectmanagement stoer

Na Henk Koster’s Oscar & Linda is De kleine prinses maakt projectmanagement stoer het tweede boek dat ik heb gelezen over het vak projectmanagement in een wat andere vorm dan je gewend bent. Waar Oscar & Linda een romanvorm koos, is het sprookje de insteek voor De kleine prinses. Het doel van het schrijversduo Nicoline Mulder & Fokke Wijnstra is om het Rijnlands model, waarin gemotiveerde mensen productiever zijn te promoten en af te zetten tegen het Angelsaksische model, waarin efficiëntie, resultaatgerichtheid, de hunkering naar macht en rijkdom centraal staan. PRINCE2, in het sprookje uitgebreid verbeeld als de brave, maar zeer voorspelbare hond Prins2, heeft het natuurlijk afgedaan. Prinses Marenne (PM), Otto de Graaf (OG), zijn 26 karikaturale ambtenaren, de filosofische neef Arthur, broer Bas Berend en vader en koning Tita wisselen ideeën uit om tot nieuwe ontdekkingen te komen hoe een projectopdracht óók aangenomen en uitgevoerd kan worden.
Als je projectmanagers sprookjes laat schrijven ontkomen ze toch niet aan rijtjes, veel jargon, voetnoten, zo blijkt in De kleine prinses. Wat al te nadrukkelijk worden bronnen geciteerd en herkennen vakgenoten de inspiratie die de schrijvers opdeden bij Daniel Ofman, Stephen Covey, het kleurdenken van Leon de Caluwé, de persoonlijkheidstypen uit het enneagram en Van der Loo’s Kus de visie wakker. Juist waar de boodschap die van authenticiteit, inspiratie, eigen drijfveren, etc. is het schrijfwerk nog sterk de bronnen volgend. De overstap van de eigen drijfveren, waarden, motivatie, talenten, etc. naar de werkelijke verbinding en het gezamenlijk tot stand brengen van een resultaat, dat – welke benadering je ook kiest – wel bereikt moet worden, blijft in het midden. Dat komt ook tot uitdrukking in de verhaallijn, waarin veel aandacht is voor de opstartfase van het project en de evaluatie kort belicht wordt. Het is typisch de opzet van een cursus projectmanagement. Wat dat betreft past Henk Koster’s boek meer in de beleving van de uitvoeringsfase.
Het schrijven van een sprookje is duidelijk wat anders dan een promotitieonderzoek, leerboek, synopsis of column. Ik heb nu de indruk dat er veel te veel ‘wijze lessen’ in één sprookje gestopt zijn op een manier die zich niet als sprookje laat lezen.

Franjo Terhart – Kabbala – de joodse mystiek

 Franjo Terhart biedt met dit nieuwe boek een zeer lezenswaardig inkijkje in de diverse aspecten van de joodse mystieke stromingen van de Kabbala . Achtereenvolgens komen oorsprong en geschiedenis, de theoretische Kabbala en de praktische Kabbala aan bod. De stukjes tekst zijn rijk omgeven met foto’s en inzetjes van vindplaatsen, documenten, bekende mensen, gravures en andere illustraties. Terhart benadert de Kabbala als nuchtere toeschouwer, zeker niet uitnodigend of enthousiasmerend, maar beschouwend en afstandelijk. Met dit boek krijg je wat indrukken wat Madonna, Michael Jackson en Barbara Streisand nou zo boeit aan de Kabbala, wat je ervan terugvindt in de moderne joodse samenleving en gemeenschappen in de diaspora.

Amos Oz – Noem het nog geen nacht

 In Tel Kedar, een fictief, maar toch wel weer naar bijvoorbeeld Arad gemodelleerde ontwikkelingsstad in de Israëlische Negev woestijn overlijdt de scholier Immanuel Orviëtto aan drugsgebruik. Zijn vader, Avraham wil ter nagedachtenis aan zijn overleden zoon een afkickcentrum oprichten. Noa, lerares, maar niet eens klasselerares of mentrix, van Immanuël, krijgt de opdracht een en ander in gang te zetten. Deze roman van Amos Oz draait eigenlijk niet om het centrum, maar schetst de ontwikkeling van het stadje, typische reacties van de omgeving, het liefdesleven van hoofdpersonen. De vele perspectiefwisselingen, uitstapjes en dwarsverbonden brengen enerzijds een typisch Oz boek, anderzijds vond ik Noem het nog geen nacht (1995) minder knap uitgewerkt dan veel van zijn andere romans.

Larry Osborne – Sticky Church

Larry Osborne neemt de tientallen jaren ervaring van North Coast Church met gemeentegroei en celgroepen als vertrekpunt voor Sticky Church. Kernboodschap in het eerste deel van het boek is om niet alleen de voordeur van de kerk op te zetten (evangelisatie-acties, diensten voor zoekers, etc.), maar ook om de achterdeur dicht te houden. Netto groei van de gemeente is anders niet mogelijk. Om die achterdeur dicht te houden en dus een sticky church te zijn, is het belangrijk binding tussen mensen tot stand te brengen. Daarvoor zijn celgroepen essentieel. Anders dan pleitbezorgers van standaard celgroepenformules die terug te leiden zijn op de Koreaanse voorganger David Yonggi Cho , bepleit Osborne culturele aanpassing van idt werk in de gemeeente. Leiderschap moet die ‘over trained’ bijna superman zijn, maar in eerste instantie een begeleider van een avond. Door de preek van de zondagse dienst als uitgangspunt te nemen voor de interactie rond de Bijbel, werkt dat beter dan lange studiereeksen of materiaal dat alleen voor gevorderden bedoeld is. Osborne heeft nog wat prikkelende ideeën over de participatiegraad op celgroepen, andere onderdelen van de avond. Het boek besluit met wat vragenlijsten, tips & tricks en een overzicht van de ‘one anothers’ in het Nieuwe Testament, kortom horen gelovigen onderling te doen (liefhebben, vergeven, verzorgen, etc.)