Openbaring hoofdstuk 1-3: appèl aan de Joodse christenen

Na het leggen van de basis voor uitleg van het laatste bijbelboek, Openbaring van Johannes, hanteer ik de drieluik eerst lezen wat er staat in context, onderzoek van het grotere plaatje met geschiedenis, geografie, de gebruikte beeldspraak, etc. en pas daarna het betekenis geven uit John Boekhouts Verantwoord bijbelgebruik, laat ik zeggen een 101 training theologie. Uit de eerste vier hoofdstukken van Openbaring vandaag wat mij zo is opgevallen. Je leest zo makkelijk oppervlakkig. Peter Scheele slaat in zijn in 2020 verschenen Beelden van Openbaring de eerste drie hoofdstukken over, terwijl Elaine Pagels in Het vreemdste bijbelboek – Visioenen voorspellingen en politiek in Openbaring (2012) juist in deze eerste hoofdstukken sleutels ontdekt voor de betekenis van Openbaring om maar eens twee extremen te noemen.

Wiens openbaring?

Boven het boek staat Openbaring van Johannes, hoewel hoofdstuk 1 opent met “Openbaring van Jezus Christus die hij van God ontving om aan de dienaren van God te laten zien wat er binnenkort gebeuren moet. Hij heeft zijn engel deze openbaring laten meedelen aan zijn dienaar Johannes.”

Engel of boodschapper?

Elke brief wordt “aan de engel van” (in de NBV, NBG, NB, HSV, BGT, Canisius vertalingen) en de specifieke gemeente geschreven. Zo’n vertaling leidt snel tot speculaties wie die engelen zijn. Maar ook hier houd ik het graag eenvoudig. De opdracht aan Johannes is: “Schrijf alles wat je ziet in een boek en stuur dat naar de zeven gemeenten, naar Efeze, Smyrna, Pergamum, Tyatira, Sardes, Filadelfia en Laodicea.” (Openbaring 1 vers 11). Hoe krijg je als je zelf gevangen zit op Patmos de boek(rollen) bezorgd in de zeven gemeenten op het vasteland? Via een boodschapper (een zinvolle betekenis van het Griekse ἄγγελος) te voet en dus niet een vliegende engel (hier geen zinvolle betekenis van het Griekse ἄγγελος). Boodschapper is de vertaling die Het Boek gebruikt.

Aan alle gelovigen onder de Joden: houdt je aan wat er gezegd wordt

Hoofdstuk 1 vers 3: “Gelukkig is wie dit voorleest, en gelukkig zijn zij die deze profetie horen zich houden aan wat hier gezegd wordt. Want de tijd is nabij.”

Je kunt je niet houden aan een adequate toekomstvoorspelling of juist beschreven geschiedenis, wel aan een opdracht of set regels. En net als in vers 1 (“…wat er binnenkort gebeuren moet”) geeft vers 3 (“want de tijd is nabij”) de nabijheid (proximity) aan wat er gebeuren gaat en bevat het juist géén aanknopingspunt voor een futuristische beschrijving voor over enkele millennia.

Wie de zeven brieven aan zeven gemeentes in Asia (nu Anatolië in het westen van Turkije) in Openbaringen 2 en 3 leest, ziet er een feedback structuur. Er worden complimenten gegeven, er schort wat aan het gedrag van de gemeenteleden, en Johannes houdt in naam van Jezus Christus hun regels voor en roept op vol te houden in de ervaren strijd om als overwinnaar te eindigen.

Nergens in de brieven aan de gemeentes zie ik een aanleiding om tot een bedelingen leer of toewijzen van een brief/gemeente aan een duidelijk af te bakenen tijdperk in de kerkgeschiedenis te komen. Over de volgorde lijkt me de eenvoudige uitleg op Wikipedia veel aannemelijker: de plaatsen liggen op volgorde zoals een boodschapper (ook een betekenis van het Griekse ἄγγελος) vanaf Patmos met de boekrol onder de arm zijn opdracht in Openbaring 2 vers 11 kan uitvoeren. “Schrijf alles wat je ziet in een boek en stuur dat naar de zeven gemeenten, naar Efeze, Smyrna, Pergamum, Tyatira, Sardes, Filadelfia en Laodicea.” Het vers geeft ook aan, dat “alles wat je ziet” in een boek(rol) beschreven moet worden en gestuurd naar de gemeenten, dus niet alleen de ‘eigen’ brief. Alle zeven gemeenten moeten alles weten.

Gemeente Compliment Tekortkoming Advies Beloning
Efeze “Ik weet wat u doet, hoe u zich inzet en standhoudt, en dat u boosdoenders niet verdraagt. Zo hebt u mensen die beweren dat ze apostelen zijn, op de proef gesteld en als leugenaars ontmaskerd. U bent standvastig en hebt veel verdagen omwille van mijn naam, zonder te verslappen.” “Het pleit echter voor u dat u net als ik de praktijken van de Nikolaïeten verafschuwt.” “U hebt de liefde van weleer opgegeven.” “Breek met het leven dat u nu leidt en doe weer als vroeger.” “Wie overwint zal ik laten eten van de levensboom die in Gods paradijs staat.”
Smyrna “Ik weet van de ellende en de armoede waarin u verkeert, hoewel u rijk bent. Ik weet hoe u belasterd wordt door mensen die zich Joden noemen en het niet zijn, maar bij satan (de tegenstander) horen.” “Wees niet bang voor wat u nog te wachten staat. Sommigen van u zullen door de duivel in de gevangenis worden gegooid en zo op de proef worden gesteld: tien dagen lang zult u het zwaar te verduren hebben. Wees trouw tot in de dood,” “dan zal ik u als lauwerkrans het leven geven.”
Pergamum “U bent mijn naam trouw gebleven en hebt uw geloof in mij niet verloochend, ook niet toen Antipas, mijn betrouwbare getuige, werd gedood in uw stad, waar ook satan woont.” “Sommigen houden vast aan de leer van Bileam, die Balak liet weten hoe hij voor de Israëlieten een val moest opzetten, waardoor ze heidens offervlees zouden gaan eten. Zo is het ook bij u: sommigen houden op dezelfde manier vast aan de leer van de Nikolaïeten.” “Breek toch met het leven dat u nu leidt, anders kom ik binnenkort naar u toe en zal ik hen met het zwaard uit mijn mond bestrijden.” “Wie overwint zal ik van het verborgen manna geven, en ook een wit steentje waarop een nieuwe naam staat die niemand kent, behalve degene die hem ontvangt.”
Tyatira “Ik weet wat u doet, hoe liefdevol, gelovig, hulpvaardig en standvastig u bent; u doet nu zelfs meer dan vroeger.” “U laat die Izebel, die zichzelf profetes noemt, haar gang gaan, terwijl ze mijn dienaren met haar uitspraken tot ontucht en het eten van heidens offervlees verrleidt. En hoewel ik haar de tijd heb gegeven om te breken met het leven dat ze leidt, weigert ze haar ontuchtig gedrag op te geven. Ik zal haar ziek maken en hen die overspel met haar plegen in ellende stortenm tenzijb die met haar breken; haar kinderen zal ik laten sterven aan een dodelijke ziekte.” “Ik leg u maar één last op: houd vast aan wat u hebt, totdat ik kom.” “Wie overwint en mij navolgt tot het einde, zal ik macht geven over alle volken. Met een ijzeren staf zal hij hen hoeden, als aardewerk worden ze verbrijzeld. Ik geef hem macht, zoals mijn Vader die aan mij heeft gegeven. En ik zal hem ook de morgenster geven.”
Sardes “Enkelen hebben hun kleren schoon gehouden.” “Ik weet wat u doet; overal wordt beweerd dat u het leven hebt, terwijl u dood bent.” “Word wakker, versterk uw laatste krachten: u bent op sterven na dood. Want ik merk dat uw gedrag tekortschiet in Gods ogen. Herinner u dat u de boodschap hebt ontvangen en begrepen. Houd eraan vast en breek met het leven dat u nu leidt. Maar als u niet wakker wordt, kom ik onverwacht als een dief, op een tijdstip dat u niet kent.” “Maar enkelen in Sardes hebben hun kleren schoon gehouden. Zij zullen bij me zijn, in het wit gekleed, want ze verdienen het. Wie overwint zal ik ook in het wit kleden. Ik zal mijn naam niet uit het boek van het leven schrappen, maar juist voor hem getuigen ten overstaan van mijn Vader en zijn engelen.”
Filadelfia “Want ook al hebt u weinig invloed, u bent trouw gebleven aan wat ik heb gezegd en hebt mijn naam niet verloochend.” “Houd vast aan wat u hebt.” “Ik zal mensen laten komen die bij satan horen die zich Joden noemen en het niet zijn; zij zullen zich eerbiedig aan uw voeten neerwerpen en erkennen dat ik u heb liefgehad. Omdat u trouw bent gebleven aan mijn gebod om stand te houden, zal ik u ook trouw zijn wanneer binnenkort de tijd van de beproeving aanbreekt, als heel de aarde en de mensen die er leven op de proef worden gesteld. Ik kom spoedig. Houd vast aan wat u hebt, dan zal niemand u de lauwerkrans kunnen afnemen. Wie overwint maak ik tot een zuil in de tempel van mijn God. Daar zal hij voor altijd blijven staan. Ik zal op hem de naam schrijven van mijn God en van de stad van mijn God, het nieuwe Jeruzalem dat bij mijn God vandaan uit de hemel zal neerdalen, en ook mijn eigen nieuwe naam.”
Laodicea “Ik weet wat u doet, hoe u niet koud bent en niet warm. Was u maar koud of warm! Maar nu u lauw bent in plaats van warm of koud, zal ik u uitspuwen. U zegt dat u rijk bent, dat u alles hebt wat u wilt en niets meer nodig hebt. U beseft niet hoe ongelukkig u bent, hoe armzalig, berooid, blind en naakt.” “Daarom raad ik u aan: koop van mij goud dat in het vuur gelouterd is, en u zult rijk zijn; witte kleren om u te kleden en uw naaktheid te bedekken, zodat u zich niet meer hoeft te schamen; zalf voor uw ogen, zodat u weer kunt zien. Iedereen die ik liefheb wijs ik terecht en bestraf ik. Zet u dus volledig in en breek met het leven dat u nu leidt. Ik sta voor de deur en klop aan. Als iemand mijn stem hoort en de deur opent, zal ik binnenkomen, en we zullen samen eten, ik met hem en hij met mij.” “Wie overwint zal samen met miji op mijn troon zitten, net zoals ik zelf overwonnen heb en samen met mijn Vader op zijn troon zit.”

Joden worden beproefd

De christelijke gemeentes in Anatolië worden beproefd. De Grieks-Romeinse cultuur met afgodendienst, imposante tempels waar prostitutie werd bedreven en offers gebracht zijn voor Joden alleen al op grond van de Tien Geboden (Exodus 20) een nogo area. “Vereer naast mij geen andere afgoden. Maak geen godenbeelden, geen enkele afbeelding van iets dat in de hemel hier boven is of van iets beneden op de aarde of in het water onder de aarde. Kniel voor zulke beelden niet neer, vereer ze niet, want ik, de HEER, uw God, duld geen andere goden naast mij. Voor de schuld van de ouders laat ik de kinderen noeten, en ook het derde geslacht en het vierde, wanneer ze mij haten; maar als ze mij liefhebben en doen wat ik gebied, bewijs ik hun mijn liefde tot in het duizendste geslacht. (…) Pleeg geen overspel..”

In twee gemeenten wordt gesproken over Nikolaïeten die aanzetten tot eten van aan afgoden geofferd vlees en ontucht of hoererij (vertaald uit het Griekse πορνεία, porneia, we hebben er ook in 2020 allemaal letterlijk en figuurlijk beeld bij).

Bileam, de profeet of ziener uit Numeri 22-24, werd door de Moabitische koning Balak geraadpleegd. Hoe kan Israël tot zonde verleid worden? God grijpt in en laat een ezel spreken die Bileam belet naar Balak te gaan. Hierna zette Bileam de Israëlieten ertoe aan om omgang te hebben met de Moabieten en Midjanieten en om de Baäl van de Peor te aanbidden. God strafte het volk met een plaag en Israëls leider Mozes liet allen executeren die hadden gezondigd. In totaal stierven er 24.000 Israëlitische mannen. Toen de Israëlieten wraak namen op de Midjanieten, werd Bileam gedood.

Johannes gebruikt het verhaal van Bileam net Judas en Petrus in hun brieven aan gemeenten om de Joodse gelovigen te vermanen. Het aanhalen van Izebel, de echtgenote van de Israëlische koning Achab van het koninkrijk Israël, heeft dezelfde functie. In 1 Koningen 16-21 en 2 Koningen 9 lees je de geschiedenis. Achab huldigde door toedoen van Izebel een liberale religieuze politiek, waarbij de oude cultus van de regio in ere werd gehouden, met name de Baälcultus, dit zeer tot ongenoegen van de aanhangers van de Jahwehcultus aan de zuidgrens in het koninkrijk Juda. Deze tegenkanting had eerder reeds tot de opsplitsing van de twee koninkrijkjes (Juda en Benjamin enerzijds en het Tienstammenrijk in het noorden anderzijds) geleid.

Als heilig en uitverkoren volk was het de bedoeling dat Israël zich zou afzonderen van de afgodendienst van omliggende volken. Keer op keer ging het mis in de geschiedenis met de ballingschappen van de beide voormalige koninkrijken tot gevolg. Dat er überhaupt Joodse gemeenschappen in Anatolië waren, was de consequentie. Nog altijd was de grote uitdaging voor de Joodse gelovige om zichzelf niet te bezoedelen. Dat geldt ook voor de Jood die zich tot Jezus Christus als Messias had bekeerd en gehoor wilde geven aan wat hij (via zijn apostelen en door zijn Heilige Geest) had gezegd. Boosdoeners (Openbaring 2 vers 2), valse apostelen (Openbaring 2 vers 2), Nikolaïeten (Openbaring 2 vers 6, 15), schijn(heilige) Joden die tot het kamp van de tegenstander / satan (beide zijn mogelijke betekenissen van het Griekse σατανάς) (Openbaring 2 verzen 9, 13, 24, hoofdstuk 3 vers 9), duivel (Openbaring 2 vers 10), mensen die vasthouden aan de leer van Bileam (Openbaringen 2 vers 14) en Izebel (Openbaring 2 verzen 20-23). Wie volhoudt, zuiver blijft, wordt beloond met witte kleren (Openbaring 3 verzen 4-5, hoofdstuk 3 vers 18).