Psalm 146: God zorgt voor de armen en ik doe mee

Waarom zou je je vertrouwen stellen op een sterfelijk mens, als je de HEER die hemel en aarde heeft gemaakt, de zee en alles wat daar leeft, als hulp hebt? Dit besef leidt in Psalm 146 tot een altijddurende lofzang. De dichter prijst zijn God, omdat “hij die trouw is tot in eeuwigheid, recht doet aan de verdrukten, brood geeft aan de hongerigen. De HEER bevrijdt de gevangenen, de HEER opent de ogen van blinden, de HEER richt de gebogenen op, de HEER heeft de rechtvaardigen lief, de HEER beschermt de vreemdelingen, wezen en weduwen steunt hij, maar wie kwaad doen, richt hij te gronde.” (verzen 6-9).

Daden spreken meer dan woorden. In één van de bijzondere delen van het evangelie van Mattheüs zien we in hoofdstuk 11 Jezus’ neef Johannes de Doper. Nota bene de man die 8 hoofdstukken en enkele jaren eerder verkondigde: “Kom tot inkeer, want het koninkrijk van de hemel is nabij! (..) Breng liever vruchten voort die een nieuw leven waardig zijn (…)Ik doop jullie met water ten tekenen van jullie nieuwe leven, maar na mij komt iemand die meer vermag dan ik; ik ben zelfs niet goed genoeg om zijn sandalen voor hem te dragen. Hij zal jullie dopen met de heilige Geest en met vuur; hij houdt de wan in zijn hand, hij zal zijn dorsvloer reinigen en zijn graan in de schuur bijeenbrengen, maar het kaf zal hij verbranden in onblusbaar vuur.” (Mattheüs 3 verzen 2,8,11-12).

“Toen Johannes in de gevangenis over het optreden van de messias hoorde, stuurde hij enkele van zijn leerlingen naar hem toe met de vraag: ‘Bent u degene die komen zou of moeten we een ander verwachten?’ Jezus antwoordde: ‘Zeg tegen Johannes wat jullie horen en zien: blinden kunnen weer zien en verlamden weer lopen, mensen met huidvraat worden gereinigd en doven kunnen weer horen, doden worden opgewekt en aan armen wordt het goede nieuws bekend gemaakt. Gelukkig is degene die aan mij geen aanstoot neemt.” (Mattheüs 11 verzen 2-6).

“Sinds de dagen van Johannes de Doper wordt het koninkrijk van de hemel door geweld bedreigd en proberen sommigen er zelfs met geweld beslag op te leggen. (…) Daarop maakte hij de steden waar bijna al zijn wonderen hadden plaatsgevonden, het verwijt dat zij niet tot inkeer waren gekomen. (…) In die tijd zei Jezus ook: ‘Ik loof u, Vader, Heer van hemel en aarde, omdat u deze dingen voor wijzen en verstandigen verborgen hebt gehouden, maar ze aan eenvoudige mensen hebt onthuld. Ja, Vader, zo hebt u het gewild. Alles is mij toevertrouwd door mijn Vader, en niemand dan de Vader weet wie de Zoon is, en wie de Vader is, dat weet alleen de Zoon, en iedereen aan wie de Zoon het wil openbaren. Kom naar mij, jullie die vermoeid zijn en onder lasten gebukt gaan, dan zal ik jullie rust geven. Neem mijn juk op je en leer van mij, want ik ben zachtmoedig en nederig van hart. Dan zullen jullie werkelijk rust vinden, want mij juk is zacht en mijn last is licht.” (Mattheüs 11 verzen 12, 20, 25-29).

Wie God heeft leren kennen, laat Hem zien aan zijn familie

In Mattheüs 25 vertelt Jezus over het laatste oordeel dat hij bij zijn terugkeer mag vellen over de mensen. De gezegenden krijgen te horen: “Jullie zijn door mijn Vader gezegend, kom en neem deel aan het koninkrijk dat al sinds de grondvesting van de wereld voor jullie bestemd is. Want ik had honger en jullie gaven mij te eten, ik had dorst en jullie gaven mij te drinken. Ik was een vreemdeling, en jullie namen mij op, ik was naakt, en jullie kleedden mij. Ik was ziek en jullie bezochten mij, ik zat gevangen en jullie kwamen naar mij toe.’ Dan zullen de rechtvaardigen hem antwoorden: ‘Heer, wanneer hebben wij u hongerig gezien en te eten gegeven? Wanneer hebben wij u als vreemdeling gezien en opgenomen, u naakt gezien en gekleed? Wanneer hebben wij gezien dat u ziek was of in de gevangenis zat en zijn we naar u toe gekomen?’ En de koning zal hun antwoorden: ‘Ik verzeker jullie: alles wat jullie gedaan hebben voor een van de onaanzienlijksten van mijn broeders of zusters, dat hebben jullie voor mij gedaan.” (Mattheüs 25 verzen 34-40).

We kunnen door praktisch om te zien naar de onaanzienlijksten van de door God geschapen (mede)mensen hun het koninkrijk van God (helpen) onthullen. Niet in theologie, een indrukwekkende preek of een mooie beschouwing wordt het koninkrijk zichtbaar, wel in de toepassing van wat we van of over God leren.

“Laat de onaanzienlijke gelovige trots zijn op zijn hoge waarde, en de rijke op zijn nederige staat. (..) Gelukkig is de mens die in de beproeving staande blijft. Want wie de proef doorstaat, ontvangt als lauwerkrans het leven, zoals God heeft beloofd aan iedereen die hem liefheeft. (…) Geliefde broeders en zusters, vergis u niet: elke goede gave, elk volmaakt geschenk komt van boven, van de Vader van de hemellichten; bij hem is nooit enige verandering of verduistering waar te nemen. Hij wilde ons door de verkondiging van de waarheid tot leven roepen, om de eersten te maken in zijn schepping. (…) Vergis u niet: alleen horen is niet genoeg, u moet wat u gehoord hebt ook doen.” (Jacobus 1 verzen 9, 12, 16-18, 22).