Psalm 139: Je kunt mijn liefde niet mislopen

Psalm 139 heeft diverse kanten die het lied populair maken. Vermelding op geboortekaartjes als uiting van verwondering over het prille leven is er één. “U was het die mijn nieren vormde, die mij weefde in de buik van mijn moeder. Ik loof u voor het ontzagelijke wonder van mijn bestaan, wonderbaarlijk is wat u gemaakt hebt. Ik weet het, tot in het diepst van mijn ziel. Toen ik in het verborgene gemaakt werd, kunstig geweven in de schoot van de aarde, was mijn wezen voor u geen geheim. Uw ogen zagen mijn vormeloos begin, alles werd in uw boekrol opgetekend, aan de dagen van mijn bestaan ontbrak er niet één.” (verzen 13-16).

Welbeschouwd kan een net geboren baby dit nog niet zelf onder woorden brengen. Het is het getuigenis van David die weet wie het leven geeft. Of je aan vers 16 alleen voldoende hebt om een predestinatieleer op te bouwen, betwijfel ik. Als alles is voorbestemd en God bij jouw conceptie is gestart een script af te draaien, waarin het verloop van elke dag van je leven van tevoren vast staat en jouw invloed op z’n best schijn is, ligt het laat 19e eeuwse naturalisme van schrijvers als Arthur van Schendel – één van mijn favorieten op het VWO – dichtbij. Overigens zaten ook rabbi’s op dit spoor. Rashi stelt dat de boekrol in vers 16 een lijst van alle mensen die ooit geboren gaan worden bevat en dat God deze aan Adam heeft laten zien, hoewel er in het bijbelboek Genesis niet over gesproken wordt. Ibn Ezra meent dat de boekrol een blauwdruk is van de vormen mens. Hij en andere uitleggers verwijzen hiervoor naar Spreuken 3 vers 19 (“De HEER heeft de aarde met wijsheid gegrondvest, de hemel met inzicht gevestigd.”) en zien de Torah, Gods wet, als deze blauwdruk.

Het punt dat David in deze Psalm wil maken is de onontkoombaarheid van God, niet het ontbreken van een eigen wil. Sterker, aan het eind van de Psalm bidt hij expliciet: “Doorgrond mij, God, en ken mijn hart, peil mij, weet wat mij kwelt, zie of ik geen verkeerde weg ga, en leid mij over de weg die eeuwig is.” (verzen 23-24). Hij weet, net als jij en ik (kunnen) weten, dat we zowel een goede als verkeerde weg kunnen inslaan. God is overal, niet als boeman of klaar om te straffen, maar als Aanwezige. Zoals alleen een Engels boek dat kan uitdrukken, stelt de Jewish Study Bible in de kantlijn bij de verzen 1-18 “An exquisitely detailed an poetic description of divine omniscience.”

In Psalm 56 verzen 9-10 belijdt David: “Mijn omzwervingen hebt u opgetekend, vang mijn tranen op in uw kruik. Staat het niet alles in uw boek? In het uur dat ik u aanroep wijken mijn vijanden, want dit weet ik: God staat mij terzijde.”

God is overal

“HEER, u kent mij, u doorgrondt mij, u weet het als ik zit of sta, u doorziet van verre mijn gedachten. Ga ik op weg of rust ik uit, u merkt het op, met al mijn wegen bent u vertrouwd. Geen woord ligt op mijn tong, of u, HEER, kent het ten volle. U omsluit mij, van achter en van voren, u legt uw hand op mij. Wonderlijk zoals u mij kent, het gaat mijn begrip te boven. Hoe zou ik aan uw aandacht kunnen ontsnappen, hoe aan uw blikken ontkomen?” (verzen 1-7)

De Groningse journaliste en auteur Pauline Broekema koos voor haar net uitgekomen historische roman c.q. familiegeschiedenis Het uiterste der zee als boektitel. De beschreven Joodse families klampten zich bij de deportatie van familieleden via Westerbork naar onbekende bestemmingen en de aangeboden onderduikadressen vast aan Psalm 139 verzen 9-10, in de NBG 1951 vertaling: “…nam ik vleugelen van de dageraad, ging ik wonen aan het uiterste der zee, ook daar zou uw hand mij geleiden, uw rechterhand mij vastgrijpen.”

“Klom ik op naar de hemel – u tref ik daar aan, lag ik neer in het dodenrijk – u bent daar. Al verhief ik mij op de vleugels van de dageraad, al ging ik wonen voorbij de verste zee, ook daar zou uw hand mij leiden, zou uw rechterhand mij leiden, zou uw rechterhand mij vasthouden. Al zei ik: ‘Laat het duister mij opslokken, het licht om mij heen veranderen in nacht,’ook dan zou het duister voor u niet donker zijn – de nacht zou oplichten als de dag, het duister helder zijn als het licht.” (verzen 8-12)

In 1 Johannes 1 verzen 5-7 schrijft de apostel over Gods zoon, Jezus Christus: “Dit is wat wij hebben horen verkondigen en wat we u verkondigen: God is licht, er is in hem geen spoor van duisternis. Als we zeggen dat we met hem verbonden zijn terwijl we onze weg in het duister gaan, liegen we en leven we niet volgens de waarheid. Maar gaan we onze weg in het licht, zoals hijzelf in het licht is, dan zijn we met elkaar verbonden en reinigt het bloed van Jezus, zijn Zoon, ons van alle zonde.” 

In 1991 verwerkte Charlie Peacock deze verzen tot In The Light op het album Love Life. Vier jaar later coverde DC Talk het liedje, dat na titielnummer Jesus Freak zo ongeveer de populairste single van het album werd.

“Hoe rijk zijn uw gedachten, God, hoe eindeloos in aantal, ontelbaar veel, meer dan er zandkorrels zijn, Ontwaak ik, dan nog ben ik bij u.” (verzen 17-18) grijpt terug op vers 6: “Wonderlijk zoals u mij kent, het gaat mijn begrip te boven.”

Paulus schrijft in Romeinen 11 verzen 33-36: “Hoe onuitputtelijk zijn Gods rijkdom, wijsheid en kennis, hoe ondoorgrondelijk zijn oordelen en hoe onbegrijpelijk zijn wegen. ‘Wie kent de gedachten avn de Heer, wie was ooit zijn raadsman.’ Alles is uit hem ontstaan, alles is door hem geschapen, alles heeft in hem zijn doel. Hem komt de eer toe tot in eeuwigheid. Amen.”

Ik haat hen, zo fel als ik haten kan

“God, breng de zondaars om, – weg uit mijn ogen, jullie die bloed vergieten – ze spreken kwaadaardig over u, uw vijanden misbruiken uw naam. Zou ik niet haten wie u haten, HEER, niet verachten wie tegen u opstaan? Ik haat hen, zo fel als ik haten kan, ze zijn mijn vijand geworden.” (verzen 19-22).

Dat lijkt een dissonant in deze Psalm. Is David een haatzaaier? De vijand van mijn vriend is mijn vijand. David verklaart zich solidair met God en haat wie Hem haten, zijn naam misbruiken en bloed vergieten, een miniatuur wraakpsalm. Lees nog eens de hele Psalm. Stel je bent overtuigd geraakt van Gods almacht, alomtegenwoordigheid, alwetendheid en onmogelijkheid zonde, duisternis of dood in zijn nabijheid te dulden, als je verlangt liever voor altijd bij Hem te zijn, wil je toch niet gezien worden met zondaars?

Een open boek(rol)

Het oordeel komt echter aan God toe, zo kun je lezen in Openbaringen 20. Jezus Christus heeft ons beloofd: “De wereld kan jullie niet haten, maar mij haat ze wel, omdat ik verklaar wat ze doet slecht is.” (Johannes 7 vers 7). Ons leven is een open boek voor God. “Want levend krachtig is het woord van God, en scherper dan een tweesnijdend zwaard: het dringt diep door tot waar ziel en geest, been en merg elkaar raken, en het is in staat de opvattingen, en gedachten van het hart te ontleden. Niets van wat geschapen is blijft voor hem verborgen, alles is onverhuld en volkomen zichtbaar voorr de ogen van hem aan wie wij rekenschap moeten afleggen.” (Hebreeën 4 verzen 12-13).

Zie ook: