Psalm 22: Waarom hebt U mij verlaten?

Deze week voorafgaand aan Pasen staat het lijden en sterven van Jezus Christus centraal in het geloof van christenen. Eén van de Psalmen die koning David zo’n duizend jaar vóór Jezus’ leven in Israël, componeerde is Psalm 22. Het bevat veel elementen die rond de kruisdood van Jezus werkelijkheid zijn geworden. Psalm 22 wordt als profetie beschouwd. Het begint al in vers 2: “Mijn God, mijn God, waarom hebt u mij verlaten?” dat Jezus aan het kruis uitschreeuwt, lees de verslagen van Mattheüs 27 vers 46 en Marcus 15 vers 34. Dezelfde frase haalt de profeet Jesaja aan en betrekt het in hoofdstuk 49 vers 14 op Sion (Israël). In hetzelfde hoofdstuk gebruikt Jesaja in vers 5 uit Psalm 22 de verzen 10 en 11: “U hebt mij uit de buik van mijn moeder gehaald, mij aan haar borsten toevertrouwd, biuj mijn geboorte vingen uw handen mij op, van de moederschoot bent u mijn God.”

Er wordt vaak gezegd dat God de Vader Jezus in zijn benauwdste momenten echt verlaten heeft, omdat hij de zonde van de mensheid die zijn zoon Jezus Christus op zich heeft genomen, niet kan aanzien. Ook gewone mensen kunnen zich door God verlaten voelen. Als je echter naar hem uitroept ‘mijn God’, erken je zowel zijn bestaan, zijn luisterend oor als jouw relatie tot God. En dat is exact de grote lijn in Psalm 22, het toepassen op het volk Israël dat ondanks de vele misstappen Zijn volk is, en op Jezus Christus. “Op u hebben onze voorouders vertrouwd; zij hebben vertrouwd en u verloste hen, tot u geroepen en zij ontkwamen, op u vertrouwd en zij werden niet beschaamd.” (Psalm 22 verzen 4-6).

David vertrouwt dat hij net als zijn voorouders bij God gehoor vindt: “U geeft antwoord. Ik zal uw naam bekendmaken, u loven in de kring van mijn volk. Loof hem, allen die de HEER vrezen, breng hem eer, kinderen van Jakob, wees beducht voor hem, volk van Israël. Hij veracht de zwakke niet, verafschuwt niet wie wordt vernederd, hij wendt zijn blik niet van hem af, maar hoort zijn hulpgeroep…” (Psalm 22 verzen 22b-25, ook volgende verzen). God is van generatie op generatie dezelfde, Hij is de onveranderlijke. En daarom geldt: “Een nieuw geslacht zal hem dienen en aan de kinderen vertellen van de Heer; aan het volk dat nog geboren moet worden zal het van zijn gerechtigheid verhalen: hij is een God van daden.” (Psalm 22 verzen 31-32).

De volledig mens geworden Jezus roept zijn God aan juist met Psalm 22 vers 2 met de kennis van de hele Psalm. Als belangrijke schakel tussen generaties zorgt hij ervoor dat het goede nieuws van zijn rol als perfect offerlam dat de zonde van de wereld wegneemt, wordt doorverteld aan nieuwe generaties en deze de Heer zullen dienen. Daarvoor was lijden en sterven noodzakelijk. De straf voor de zonde is immers de dood. Jesaja schetst in hoofdstukken 52 en 53 dit beeld van de lijdende dienaar van de HEER: “Ja, mijn dienaar zal slagen, hij zal groots zijn, hoog verheven in aanzien. Zoals hij velen deed huiveren – zo gruwelijk, zo onmenselijk was zijn aanblik, zijn uiterlijk had niets meer van een mens -, zo zal hij veel volken opschrikken, en koningen zullen sprakeloos staan. En zij aan wie niets was verteld, zullen zien, zij die niets hadden gehoord, zullen begrijpen (Romeinen 15 vers 21) (..) Onopvallend was zijn uiterlijk, hij miste iedere schoonheid, zijn aanblik kon ons niet bekoren. Hij werd veracht, door mensen gemeden, hij was een man die het lijden kende en met ziekte vertrouwd was, een man die zijn gelaat voor ons verborg, verwacht, door ons verhuisd en geminacht . Maar hij was het die onze ziekten droeg, die ons lijden op zich nam. Wij echter zagen hem als een verstoteling, door God geslagen en vernederd. (Mattheüs 8 vers 17) Om onze zonden werd hij doorboord, om onze wandaden gebroken. Voor ons welzijn werd hij getuchtigd, zijn striemen brachten ons genezing. Wij dwaalden rond als schapen, ieder zocht zijn eigen weg; maar de wandaden van ons allen liet de HEER op hem neerkomen. Hij werd mishandeld, maar verzette zich niet en deed zijn mond niet open. (Mattheüs 27 vers 14, Marcus 14 verzen 60-61) Als een schaap dat naar de slacht wordt geleid, als een ooi die stil is bij haar scheerders deed hij zijn mond niet open. Door een onrechtvaardig vonnis werd hij weggenomen (Mattheüis 27). Wie van zijn tijdgenoten heeft er oog voor gehad? Hij werd verbannen uit het land der levenden, om de zonden van mijn volk werd hij geslagen. Hij kreeg een graf bij misdadigers, zijn laatste rustplaats was bij de rijken; toch had hij nooit enig onrecht begaan, nooit bedrieglijke taal gesproken (Mattheüs 27 verzen 57-60). Maar de HEER wilde hem breken, hij maakte hem ziek. Hij offerde zijn leven voor hun schuld, om zijn nageslacht te zien en lang te leven. En door zijn toedoen slaagde wat de HEER wilde. Na het lijden dat hij moest doorstaan, zag hij het licht en werd met kennis verzadigd. Mijn rechtvaardige dienaar verschaft velen recht, hij neemt hun wandaden op zich. Daarom ken ik hem een plaats toe onder velen en zal hij met machtigen delen in de buit, omdat hij zijn leven prijsgaf aan de dood en zich tot de zondaars liet rekenen. (Mattheüs 28 verzen 18-20). Hij droeg echter de schuld van velen en nam het voor zondaars op.” (Jesaja 52 vers 13 t/m 53 vers 12).

Bij deze door God geplande lijdensweg horen de andere in Psalm 22 geschetste taferelen met tussen haakjes de plekken bij de evangelisten die de vervulling bij het lijden van Jezus aan het kruis beschrijven: “Maar ik ben een worm en geen mens, door iedereen versmaad, bij het volk veracht. Allen die mij zien, bespotten mij, ze schudden meewarig het hoofd: ‘Wend je tot de HEER! Laat hij je verlossen, laat hij je bevrijden, hij houdt toch van je?’ (Mattheüs 27 vers 39, 43; Marcus 15 vers 29; Lucas 23 verzen 35-36) (…) Blijf dan niet ver van mij, want de nood is nabij, en er is niemand die helpt., (..) Als water ben ik uitgegoten, mijn gebeente valt uiteen, mijn hart is als was, het smelt in mijn lijf. Mijn kracht is droog als een potscherf, mijn tong kleeft aan mijn gehemelte, u legt mij neer in het stof van de dood. Honden staan om mij heen, een woeste bende sluit mij in, zij hebben mijn handen en voeten doorboord. Ik kan al mijn beenderen tellen. Zij kijken vol leedvermaak toe, verdelen mijn kleren onder elkaar en werpen het lot om mijn mantel. (Mattheüs 27 vers 35, Marcus 15 vers 24, Lucas 23 vers 34, Johannes 19 vers 24)” (Psalm 22 verzen 7-19).