Psalm 69: Wraak!

      No Comments on Psalm 69: Wraak!

De aanwijzing boven Psalm 69 ‘op de wijs van De Lelies’ impliceert een vrolijke melodie. Als je de 37 verzen tellende psalm leest, zou je er snel een ander arrangement voor zoeken. Het water staat David aan de lippen, uitgeput van het roepen, de keel schor geschreeuwd (verzen 2-4). “Talrijker dan de haren op mijn hoofd zijn zij die mij haten zonder reden, met velen zijn mijn belagers, mijn vijanden die mij bedriegen: teruggeven moet ik wat ik niet heb geroofd.” (vers 5). Het verlangen naar God, Zijn tempel, het vasten voor Hem: het lijkt alleen maar negatief op David terug te slaan. Roddel, hoon en verachting, vervreemd van familie zijn Davids deel (verzen 6-13 met een herhaling in verzen 20-22). Eén hoop rest: “En nu, HEER, richt ik mijn gebed tot u, laat dit een uur zijn van mededogen. Groot is uw ontferming, God, antwoord mij, toon uw trouw en red mij. (…) Antwoord mij, HEER, u bent genadig en goed, keer u tot mij, zie mij in erbarmen aan. Verberg uw gelaat niet voor uw dienaar, antwoord mij snel.” (verzen 14, 17).

Wreek het onrecht, God!
In deze context bidt David: “Laat hun tafel hun valstrik worden en een valkuil voor hun vrienden. Laat het licht uit hun ogen verdwijnen, beroof hun lendenen van alle kracht. Stort over hen uw toorn uit, laat hen aan uw woede niet ontkomen. Maak hun woonplaats tot een woestenij, verdrijf uit hun tenten de laatste bewoner. Want zij vervolgen wie u hebt geslagen en wegen het leed van wie door u is verwond. Voeg dit alles toe aan hun schuld, sluit hen uit van uw genade, schrap hun namen uit het boek van het leven, laat ze niet geschreven staan bij de rechtvaardigen.” (verzen 23-29)

Zie de rechtvaardige aan, God!

Zonder blikken of blozen verschuift het perspectief. Alsof David zijn last kwijt is en direct omschakelt naar lofprijzing, de ware eredienst, zoals ook de Twaalf (kleine) Profeten betogen. En dat koppelt de volgende tekstschrijver aan het herstel van Sion, de herbouw van steden in Juda, een perspectief dat duidelijk van tijdens of na de Babylonische ballingschap volgt, honderden jaren na de uitbarsting van woede en lofprijs van koning David.

“De naam van God wil ik loven met een lied, zijn grootheid met een lofzang prijzen. Dat behaagt de HEER meer dan offerdieren, dan stieren met hun horens en hoeven. De nederigen zien het en verheugen zich, wie God zoeken, hun hart zal opleven. Want de HEER hoort de armen, zijn gevangen volk verwerpt hij niet. Hemel en aarde moeten hem loven, de zeeën, met alles wat daarin leeft. Want God zal Sion redden en de steden van Juda herbouwen. Daar zal worden geleefd en geërfd, het volk dat hem dient, zal het land bezitten, wie zijn naam liefheeft, mag er wonen.” (verzen 31-37).

Aanhalen en eigentijds gebruiken van deze gebeden

Jezus Christus betrekt de frase uit vers 5 “Talrijker dan de haren op mijn hoofd zijn zij die mij haten zonder reden.” op zichzelf in Johannes 15 vers 25. De frase uit vers 10 “De hartstocht voor uw huis heeft mij verteerd, de smaad van wie u smaadt, is op mij neergekomen” wordt aangehaald in Johannes 2 vers 27. Waar je zonder evangeliën kunt betogen, dat deze Psalm de woede van David vertolkt en niet zomaar gebruikt of aangehaald mag worden als manier om doodwensen over je vijanden uit te spreken, gebruikt Jezus deze (andere) elementen uit dezelfde Psalm wel. Of hij dan impliciet ook de uitgesproken wraakgevoelens goedkeurt? Nee, want in de Bergrede houdt hij ons radicaal voor:  “Jullie hebben gehoord dat gezegd werd: “Je moet je naaste liefhebben en je vijand haten.” En ik zeg jullie: heb je vijanden  lief en bid voor wie jullie vervolgen, alleen dan zijn jullie werkelijk kinderen van je Vader in de hemel. Hij laat zijn zon immers opgaan over goede en slechte mensen en laat het regenen over rechtvaardigen en onrechtvaardigen.” (Mattheüs 5 verzen 43-45).

Paulus gebruikt in zijn brief aan de Romeinen in hoofdstuk 11 verzen 9-10 de verzen 23-24 uit de psalm aan “Laat hun tafel een valstrik worden en een valkuil voor hun vrienden. Laat het licht uit hun ogen verdwijnen, beroof hun lendenen van alle kracht.” in zijn uitleg over de struikeling en noodzakelijk redding van het volk Israël. In het volgende hoofdstuk houdt hij zijn gehoor voor: “Vergeld geen kwaad met kwaad, maar probeer voor alle mensen het goede te doen. Stel, voorzover het in uw macht ligt, alles in het werk om met alle mensen in vrede te leven. Neem geen wraak, geliefde broeders en zusters, maar laat God uw wreker zijn, want er staat geschreven dat de Heer zegt: ‘Het is aan mij om wraak te nemen, ik zal vergelden.’ Maar ‘als uw vijand honger heeft, geef hem dan te eten, als hij dorst heeft, geef hem dan te drinken. Dan stapelt u gloeiende kolen op zijn hoofd.’ Laat u niet overwinnen door het kwade, maar overwin het kwade door het goede.” (Romeinen 12 verzen 17-21)

Een omkering van de gedachte in vers 29 “schrap hun namen uit het boek van het leven, laat ze niet geschreven staan bij de rechtvaardigen.” kom je tegen in Openbaring 3 vers 5Opnieuw: ook het laatste oordeel is aan God: “En dan komt het einde en draagt hij (Jezus Christus) hij het koningschap over aan God, de Vader, nadat hij alle heerschappij en alle macht en kracht vernietigd heeft. Want hij moet koning zijn totdat ‘God alle vijanden aan zijn voeten heeft gelegd.’ De laatste vijand die vernietigd wordt is de dood, want er staat: ‘Hij heeft alles aan zijn voeten gelegd.'” (1 Corinthiërs 15 verzen 24-27).

Johannes waarschuwt: “Ik zag de doden, jong en oud, voor de troon staan. Er werden boeken geopend. Toen werd er nog een geopend: het boek van het leven. De doden werden op grond van wat er in de boeken stond geoordeeld naar hun daden. De zee stond de doden die ze in zich had af, en ook de dood en het dodenrijk stonden hun doden af. En iedereen werd geoordeeld naar zijn daden. Toen werden de dood en het dodenrijk in de vuurpoel gegooid. Dit is de tweede dood: de vuurpoel. Wie niet in het boek van het leven bleek te staan werd in de vuurpoel gegooid.” (Openbaringen 20 verzen 12-15).