Psalm 51: Schuld en boete

      No Comments on Psalm 51: Schuld en boete

Schuldbelijdenis gebruikmakend van de algemene zinsnede ‘vergeef ons onze zonden, gelijk ook wij vergeven onze schuldenaren’ uit het Onze Vader kan oppervlakkig klinken. Een ‘goede’ rooms-katholiek gelovige gaat naar de plaatselijke parochiekerk om er de pastoor op de biechtstoel de zonde die begaan is te belijden en te vragen wat er nodig is om vergiffenis te krijgen. Gods genade is genoeg. Daar hoeven geen weesgegroetjes, trappen op blote knieën afleggen of een pelgrimage aan te pas te komen. Heb je echt berouw? Dan is God genadig vergevingsgezind.

“Dit is wat wij hem hebben horen verkondigen en wat we u verkondigen: God is licht, er is in hem geen spoor van duisternis. Als we zeggen dat we met hem verbonden zijn terwijl we onze weg in het duister gaan, liegen we en leven we niet volgens de waarheid. Maar gaan we onze weg in het licht, zoals hijzelf in het licht is, dan zijn we met elkaar verbonden en reinigt het bloed van Jezus, zijn Zoon, ons van alle zonde. Als we zeggen dat we de zonde niet kennen, misleiden we onszelf en is de waarheid niet in ons. Belijden we onze zonden, dan zal hij, die trouw en rechtvaardig is, ons onze zonden vergeven en ons reinigen van alle kwaad.” (1 Johannes 1 verzen 5-9).

Dat had David begrepen toen hij Psalm 51 schreef. Het eerste vers vertelt de context: “Een psalm van David toen de profeet Natan hem had bezocht, nadat hij met Batseba geslapen had.” (vers 1). Dat is nog erg bescheiden uitgedrukt. In 2 Samuël hoofdstuk 11 lezen we hoe salonfähig de koning was: “Bij het aanbreken van het voorjaar, de tijd waarin koningen gewoonlijk ten strijde trekken, stuurde David opnieuw een leger eropuit, onder leiding van Joab en zijn aanvoerders, om de Ammonieten te verslaan en Rabba te belegeren. Zelf bleef hij in Jeruzalem achter. Op een keer stond hij aan het eind van de middag op van zijn rustbed en liep heen en weer over het dak van zijn paleis. Beneden zag hij een vrouw die aan het baden was. Ze was heel mooi om te zien.” (verzen 1-2). David stopt hier niet, laat uitzoeken wie de vrouw is, en handelt. “David liet haar bij zich komen en sliep met haar. (De voorgeschreven periode van onthouding na haar onreinheid was juist verstreken.) Daarna ging ze terug naar huis. Enige tijd later merkte ze dat ze zwanger was. Ze liet dat aan David berichten…” (verzen 3-6).
David wil dat Uria van het slagveld naar huis komt, zich ontspant, met z’n vrouw Batseba slaapt, zodat hij en niet David later als vader erkend zou worden. Anders dan David verkeert Uria het liefst bij zijn manschappen en laat vrouwlief voor wat het is. David schakelt over op plan B, zorgt via Joab dat Uria op een kwetsbare positie in de slagorde wordt gebracht en gegarandeerd sterft. Oorlog eist nu eenmaal zijn tol. (parafrase van de verzen 7-25). “De vrouw van Uria kreeg bericht dat haar man was gesneuveld, en ze treurde om haar echtgenoot. Toen de rouwtijd voorbij was, nam David haar bij zich aan het hof. Zij werd zijn vrouw en baarde hem een zoon. Naar het oordeel van de HEER was het wel degelijk slecht wat David had gedaan.” (verzen 26-27).

De profeet Natan komt naar David, vertelt hem een parabel, maar benoemt vervolgens specifiek de zonde van David. Als straf het koningshuis van David vanaf dan in het teken staan van moord en doodslag. Davids eigen vrouwen zullen publiekelijk aan andere mannen toebehoren. David belijdt schuld, hoeft niet te sterven. In zijn plaats sterft wel het jonge kind, een nieuwe rouwperiode breekt aan. (parafrase van 2 Samuël 12 verzen 1-23). “David troostte zijn vrouw Batseba. Hij sliep met haar en ze kreeg een zoon die hij Salomo noemde. De HEER had het kind lief en gaf het bij monde van de profeet Natan de naam Jedidja, “lieveling van de HEER.” (verzen 24-25, opvallend trouwens dat Jedija tegenwoordig vooral een meisjesnaam is). Salomo wordt later gezegend met ongeëvenaarde wijsheid, schrijft de boeken Prediker, Hooglied en Spreuken, bouwt de tempel voor de HEER en bewerkstelligt vrede en voorspoed voor Israël.

Psalm 51 is de uitgebreide versie van de schuldbelijdenis van de koning. Vrijmoedig bidt hij: “Wees mij genadig, God, in uw trouw, u bent vol erbarmen, doe mijn daden teniet, was mij schoon van alle schuld, reinig mij van mijn zonden. (…) Laat uw uitspraak rechtvaardig zijn, en uw oordeel zuiver. (…) Neem met majoraan mijn zonden weg en ik word rein, was mij en ik word witter dan sneeuw. Laat mij vreugde en blijdschap horen: u hebt mij gebroken, laat mij ook juichen. Sluit uw ogen voor mijn zonden en doe heel mijn schuld teniet. Schep, o God, een zuiver hart in mij, vernieuw mijn geest, maak mij standvastig, verban mij niet uit uw nabijheid, neem uw heilige geest niet van mij weg. Red mij, geef mij de vreugde van vroeger, de kracht van een sterke geest. Dan wil ik verdwaalden uw wegen leren, en zullen de zondaars terugkeren tot u. U bent de God die mij redt, bevrijd mij, God, van de dreigende dood, en ik zal juichen om uw gerechtigheid. Ontsluit mijn lippen, Heer, en mijn mond zal uw lof verkondigen. U wilt van mij geen offerdieren, in brandoffers schept u geen behagen. Het offer voor God is een gebroken geest, een gebroken geest en verbrijzeld hart zult u, God, niet verachten.” (verzen 3-4, 6, 9-19).

De laatste twee verzen lijken van een latere datum en uit een verschillende context, waarin juist de offerdienst weer centraal staat: “Wees Sion welgezind en schenk het voorspoed, bouw de muren van Jeruzalem weer op. Dan zult u de juiste offers aanvaarden, offers in hun geheel verbrand, dan legt men stieren op het altaar.” (verzen 20-21).

Boetepsalmen, berijmingen en interpretaties

Psalm 51 is één van de zeven boetepsalmen naast 6, 32, 38, 102, 103 en 143. Ze laten zien hoe je met zonde en schuld moet omgaan. Een bosje majoraan of hysop werd in Exodus 12 vers 22 gebruikt om bloed aan de deurposten van Joodse inwoners te smeren en zo de wraakengel te laten voorbijgaan. Zo’n majoraanbosje werd in Leviticus 14 verzen 4-6 gebruikt om een onreine te besprenkelen met water en offerbloed. Majoraan vind je bij ons in het kruidenrek.

In christelijke kringen is de bewerking van een deeltje van Psalm 51 tot Create in me a clean heart Keith Green (1953-1982) bekend.

Of het ouderwetse Engels van Keith Green (“and take not Thy Holy Spirit from me”) debet is aan een bedenkelijke lezing van vers 13 (“verban mij niet uit uw nabijheid, neem uw heilige geest niet van mij weg”) , betwijfel ik, maar Green’s interpretatie is duidelijk. Ook de NBG’51 en Herziene Statenvertaling zetten hun lezers op het spoor van de Heilige Geest. Het is ongemakkelijk zingen om de Heilige Geest niet weg te nemen, terwijl je graag volhoudt dat je deze als onderpand voor onsterfelijkheid hebt gekregen (2 Korinthiërs 5 vers 4-5). Kunnen we Psalm 51 nog wel zingen? De Jewish Study Bible stelt in het commentaar bij vers 13 dat dit een poëtische bede om niet door Gods hand te hoeven sterven. Klinkt heel wat logischer in het licht van de dood als straf voor de zonde, iets dat David in 2 Samuël en in deze Psalm heel goed doorhad: “U bent de God die mij redt, bevrijd mij, God, van de dreigende dood, en ik zal juichen om uw gerechtigheid.” (vers 16).

De Nieuwe berijming van Psalm 51 koppelt de twee duidellijk gescheiden versparen: “Door offers worden schulden niet voldaan. In dode dieren schept U geen behagen. U neemt ons hart, gebroken en verslagen, genadig als een offergave aan. Bouw Sion op in al zijn oude pracht. Dan wordt het offer, rein en ongeschonden, weer naar de eisen van uw wet gebracht. Zonder gebrek draagt het voor ons de zonden.”

De berijming uit 1773 voegt er nog wat tussen. Alsof de verwoesting van Jeruzalem aan Davids zonde te danken is: “Gods offers zijn een gans verbroken geest, Door schuldbesef getroffen en verslagen; Dit offer kan Uw heilig oog behagen; ‘t Is nooit, o God, van U veracht geweest.
Doe Sion wel, laat om mijn zwaren val Uw goedheid niet van zijne burg’ren wijken; Bouw Salem op, laat nooit zijn muur en wal, Door Uwe straf, voor ‘s vijands macht bezwijken. Dan vindt Gij in onz’ offeranden lust, Waarmee wij U, naar’t heilig recht, vereren; Dan zal ‘t altaar de varren gans verteren; Dan wordt het vuur daarop nooit uitgeblust.”

De psalmtekst en de vele, vele andere teksten in de Bijbel over de dood als verdiende straf voor de zonde en leven dat Jezus Christus opgaf om deze straf voor ons te dragen, zijn zo duidelijk en fundamenteel voor het christelijke geloof, dat inleggen van méér of wat anders helemaal niet nodig is.

Een gebroken halleluja

Psalm 51 zingen, zonden belijden en God de eer geven? Ja, graag! “U wilt dat waarheid mijn vervult, u leert mij wijsheid, diep in mijn hart. .(…) Ontsluit mijn lippen, Heer, en mijn mond zal uw lof verkondigen. (.,..) Het offer voor God is een gebroken geest.” Zodoende een broken hallelujah (verzen 8, 17, 19).