Psalm 19: Genieten van Gods woord en schepping

In Psalm 19 is een aantal delen te onderkennen, elk met een eigen thematiek. De eerste zeven verzen gaan over de alsmaar doorgaande lofprijs van de schepping aan de Schepper. Deze blijft als onvermoeibare zon zijn aarde verlichten. Hoewel niet bedoeld als geocentrisch wereldbeeld in natuurkundige zin, is in de continuïteit wel de regelmaat, eeuwige trouw van God en beeldspraak van de zonnewagen te vinden. Nee, de HEER is niet de joodse ‘vertaling’ van Helios. Rotsreliëf Bisotun tentoonstelling Iran Bakermat van de beschaving Drents MuseumWe zien eenzelfde beeldtaal, een gevleugelde en omstraalde zon bij de de Mesopotamische god Shamash (afgebeeld in het midden van het Rotsreliëf Bisotun), bij de Griekse Helios (met een stralenkrans om zijn hoofd) en de lichtgod Apollo, bij de Romeinen Sol (invictus) in de vroeg-christelijke iconografie (Christus, Maria en heiligen met stralenkrans om het hoofd) en vieringen (kerst in plaats van de zonnewende). Het zonnerad of wagenwiel werd voor de eerste christenen een herkenningsteken voor een veilig adres waar medegelovigen woonden. Tekentechnisch werden de zes spaken van het rad uitgedrukt in IX (de eerste letters van de Griekse naam voor Jezus Christus).

“De hemel verhaalt van Gods majesteit, het uitspansel roemt het werk van zijn handen, de dag zegt het voort aan de dag die komt, de nacht vertelt het door aan de volgende nacht. Toch wordt er niets gezegd, geen woord gehoord, het is een spraak zonder klank. Over heel de aarde gaat hun stem, tot aan het einde van de wereld hun taal. Daar heeft hij een tent opgeslagen voor de zon: een jonge bruidegom die het bruidsbed verlaat, een held die vrolijk voort rent op zijn weg. Aan het ene einde van de hemel komt hij op, aan het andere einde voltooit hij zijn loop, niets blijft voor zijn gloed verborgen.” (Psalm 19 verzen 1-7). Elk mens kan God herkennen in de schepping: “Zijn onzichtbare eigenschappen zijn vanaf de schepping van de wereld zichtbaar in zijn werken, zijn eeuwige kracht en goddelijkheid zijn voor het verstand waarneembaar. Er is niets waardoor zij te verontschuldigen zijn, want hoewel ze God kennen, hebben ze hem niet de eer en dank gebracht die hem toekomen.” (Romeinen 1 verzen 20-21).

Woordloos zingen en spreken

Om God als Schepper te eren zijn geen woorden nodig. Daden spreken luider dan woorden. Gerechtigheid laat je zien, je hoeft er niet over te spreken. Daarom belooft God in Maleachi 3 vers 20: “Maar voor jullie die ontzag voor mijn naam hebben zal de zon stralend opgaan, de zon die gerechtigheid brengt en genezing in haar vleugels draagt. Huppelend als kalveren die op stal hebben gestaan zullen jullie naar buiten komen.” Net zo vol energie en jeugdige kracht als de bruidegom die het bruidsbed verlaat en de held die vrolijk voort rent….of koeien die na een winter op stal te hebben gestaan voor het eerst naar buiten mogen. Ze zijn door het dolle heen!

Opnieuw het beeld van een gevleugelde zon. De verbinding van zon en gerechtigheid is in de Babylonische mythologie weid verspreid. De zonnegod Shamash doorkruiste de aarde om te zien of er overtredingen begaan werden. Dat de joden in Babylonische ballingschap, waar ze een groot deel van de Tenach, dat wij als Oude Testament kennen, (af)schreven, dergelijke beeldspraak overnamen, bevreemdt niet. Ook in het land Kanaän vereerden de Israëlieten zelf een zonnegod, aldus 2 Koningen 23 vers 11 en de vondst van vele gevleugelde zonneschijven.

Vreugde der wet

Waar Psalm 119 in 176 verzen de vreugde over de wet bezingt met allerlei varianten van de woorden ‘vreugde’ en ‘wet’, is het tweede deel van Psalm 19 een verkorte versie: “De wet van de HEER is volmaakt: levenskracht voor de mens. De richtlijn van de HEER is betrouwbaar: wijsheid voor de eenvoudige. De bevelen van de HEER zijn eenduidig: vreugde voor het hart. Het gebod van de HEER is helder: licht voor de ogen. Het ontzag voor de HEER is zuiver, houdt stand, voor altijd. De voorschriften van de HEER zijn waarachtig, rechtvaardig, geheel en al. Ze zijn begeerlijker dan goud, dan fijn goud in overvloed, en zoeter dan honing, dan honing vers uit de raat. Uw dienaar laat zich erdoor verlichten, wie ze opvolgt wordt rijk beloond.” (Psalm 19 verzen 8-12).

Hoe kun je blij zijn met 633 geboden en verboden, leefregels voor eten en drinken, seks, priesterdienst, erfenissen, kleding, etc.? Wel, de joden vieren na het uitlezen van de hele wet jaarlijks Simchat Thora (Vreugde der Wet)! De Thora, de ‘wet van Mozes’, beter: de vijf eerste boeken van de Tenach werd in het boek Exodus, één van de vijf boeken, al samengevat in de tien geboden (decaloog, Exodus 20). Jezus Christus vatte de wet (Thora) en de profeten (het tweede deel van de Tenach) samen in het tweeledige liefdesgebod: “Een van de Schriftgeleerden die naar hen geluisterd had terwijl ze discussieerden, en gemerkt had dat hij hun correct had geantwoord, kwam dichterbij en vroeg: ‘Wat is van alle geboden het belangrijkste gebod?’  Jezus antwoordde: ‘Het voornaamste is: “Luister, Israël! De Heer, onze God, is de enige Heer; heb de Heer, uw God, lief met heel uw hart en met heel uw ziel en met heel uw verstand en met heel uw kracht.” Het op een na belangrijkste is dit: “Heb uw naaste lief als uzelf.” Er zijn geen geboden belangrijker dan deze.” (Marcus 12 verzen 28-31).

Inkeer

Wie erkent dat de wet van de HEER volmaakt is, waarachtig, rechtvaardig en zuiver, concludeert al snel over zijn eigen handel en wandel, dat deze tekortschiet. Misschien geen grote zonde (moord, afpersing, onderdrukking, …), maar juist al die kleine, verborgen overtredingen (verkeerde verlangens, in gedachten al overspel plegen, de ander voor gek verklaren, belastingfraude, kleine diefstal, roddel, etc.). Om vrij te komen kun je proberen zo goed mogelijk aan de wet te houden. De wet maakt je niet vrij, maar zal zich tegen je keren. Des te harder jij probeert, zal een overtreding van de wet je confronteren met je onvolmaaktheid. Alleen God, de rechter over levenden en doden, kan ons vrijspreken. We zijn afhankelijk van Zijn genade, dat beseft ook David in deze Psalm, nog eeuwen vóór Jezus Christus de wet kwam vervullen en de straf voor onze overtredingen, eeuwig dood zijn voor God, op zich nam en aan het kruis is gestorven in onze plaats.

Ook al zijn we verzoend met God door Christus (Romeinen 5 vers 10, 2 Korinthiërs 5 vers 18, Kolossenzen 1 vers 21), hebben we nog dagelijks te maken met weerbarstige, aardse werkelijkheid en worden we verleid te zondigen (Lukas 9 vers 23, Hebreeën 3 vers 13). Een gebed om vergeving door God en zijn bescherming in de strijd tegen het kwaad, lees het Onze Vader in Mattheüs 6 verzen 9-13 of Lukas 11 verzen 2-4 nog eens na, is een gebed voor elke dag. Het slot van Psalm 19 kunnen we dan ook meebidden.

“Maar wie kan al zijn fouten kennen? Spreek mij vrij van verborgen zonden. Bescherm mij, uw dienaar, en laat hoogmoed niet over mij heersen, dan zal ik volmaakt zijn en bevrijd van grote zonde. Laten de woorden van mijn mond u behagen, de overpeinzingen van mijn hart u bekoren, HEER, mijn rots, mijn bevrijder.” (Psalm 19 verzen 13-15).

Absis Sint Jan in LateranenPlaats je de Psalm in een context van de Babylonische ballingschap, gaat op wat Salomo enkele eeuwen ervoor al verlangend heeft gebeden in 1 Koningen 8 verzen 46-50: “Wanneer ze tegen u zondigen – er is immers geen mens die niet zondigt – en u hen uit woede uitlevert aan vijanden die hen gevangennemen en meevoeren naar hun land, hetzij ver weg of dichtbij, en wanneer ze dan in hun ballingsoord tot inkeer komen en zich in dat vreemde land smekend tot u wenden en belijden dat ze hebben gezondigd, dat ze verkeerd hebben gedaan en slecht hebben gehandeld, wanneer ze zich in het land van de vijanden die hen gevangen hebben genomen weer met hart en ziel aan u toewijden en tot u bidden in de richting van het land dat u aan hun voorouders hebt gegeven, van de stad die u hebt uitgekozen en van de tempel die ik voor uw naam heb gebouwd, luister dan vanuit de hemel, uw woonplaats, naar hun bidden en smeken en verschaf hun recht. Vergeef uw volk alle zonden en misstappen die het tegen u begaan heeft en wek het mededogen op van degenen die hen als gevangenen hebben weggevoerd.”