Psalm 50: Ik klaag jou aan!

      No Comments on Psalm 50: Ik klaag jou aan!

In Psalm 50 zie je twee aspecten van God. De God der goden die als rechter mag en zal oordelen in de hemelse gewesten en op aarde (Psalm 50 verzen 1-6). Zouden de Israëlieten uit deze door Asaf geschreven psalm uit volle borst ook de volgende passages meezingen? “Luister, mijn volk, ik ga spreken, Israël, ik ga tegen je getuigen, ik, God, je eigen God. Ik klaag je niet aan om je offers, nooit dooft voor mij het offervuur. Maar de stier uit je stal heb ik niet nodig, noch de bokken uit je kooien.” (Psalm 50 verzen 7-8).

En wie zou zingend zijn buurman of -vrouw die minder godvrezend is met Asaf durven zo aanzeggen? “Maar tot wie kwaad doet, zegt God: ‘Wat baat het dat je mijn geboden opzegt en mijn verbond in de mond neemt? Je haat het als ik je terechtwijs, mijn woorden schuif je terzijde. Zie je een dief, je loopt met hem mee, en bij overspeligen ben je thuis. Je gebruikt je mond voor lastertaal en verbindt je tong aan bedrog. Je getuigt tegen je eigen broer, werpt een smet op de zoon van je moeder. Zou Ik dan zwijgen bij wat je doet, je denkt toch niet dat ik ben als jij? Ik klaag je aan, ik som je wandaden op. Begrijp dit goed, jullie die God vergeten, of ik verscheur je, en er is niemand die redt.'” (Psalm 50 verzen 16-22).

Vuur als toetsmiddel

Doorstaat wat jij God offert de vuurgloed die voor Zijn komst uitgaat? Want in Psalm 50 vers 5 klinkt: “Breng mijn getrouwen vóór mij, die zich met offers aan mij verbinden.” Petrus schrijft in 1 Petrus 1 vers 6-7: “Verheug u hierover, ook al moet u nu tot uw verdriet nog een korte tijd allerlei beproevingen verduren. Zo kan de echtheid blijken van uw geloof – zoveel kostbaarder dan vergankelijk goud, dat toch ook in het vuur wordt getoetst  -en zo verweft u lof, eer en roem wanneer Jezus Christus zich zal openbaren.” En in 1 Korintiërs 3 verzen 11-15 schrijft Paulus: “Laat ieder erop letten hoe hij bouwt, want niemand kan een ander fundament leggen dan er al ligt – Jezus Christus zelf. Of er op dat fundament nu verder wordt gebouwd met goud, zilver en edelstenen of met hout, hooi en stro, van ieders werk zal duidelijk worden wat het waard is. Op de dag van het oordeel zal dat blijken, want dan zal het door vuur aan het licht worden gebracht. Het vuur zal laten zien wat ieders werk waard is. Wanneer iemands bouwwerk blijft staan, zal hij worden beloond. Wanneer het verbrandt, zal hij daarvoor de prijs betalen; hijzelf zal echter worden gered, maar door het vuur heen.” 

Call to action

“Maar u, geliefde broeders en zusters, moet uw leven bouwen op het fundament van uw zeer heilige geloof. Laat u bij het bidden leiden door de heilige Geest, houd vast aan Gods liefde, en zie uit naar de barmhartigheid van onze Heer Jezus Christus, die u het eeuwige leven zal schenken. Ontferm u over wie twijfelen en red andere door hen aan het vuur te ontrukken. Uw medelijden met nog weer anderen moet gepaard gaan met vrees; verafschuw zelfs de kleren die ze met hun lichaam bezoedeld hebben. De enige God, die de macht heeft u voor struikelen te behoeden en u onberispelijk en juichend van vreugde voor zijn majesteit te laten verschijnen, die ons redt door Jezus Christus, onze Heer, hem behoort de luister, de majesteit, de kracht en de macht vóór alle eeuwigheid, nu en tot in alle eeuwigheid. Amen.” (Judas 1 verzen 20-25).

“Breng God een dankoffer en doe wat je de Allerhoogste belooft. Roep mij te hulp in tijden van nood, ik zal je redden, en je zult mij eren. (…) Wie een dankoffer brengt, geeft mij alle eer, wie zo zijn weg gaat, zal zien dat God redt.” (Psalm 50 verzen 14-15, 23).

Wat was er mis met de offers?

In Psalm 50 verzen 8-13 geeft God mee: “Ik klaag je niet aan om je offers, nooit dooft voor mij het offervuur. Maar de stier uit je stal heb ik niet nodig, noch de bokken uit je kooien Mij behoren de dieren van het woud, de beesten op duizenden bergen, ik ken alle vogels van het gebergte, wat beweegt in het veld is van mij. Had ik jonger, ik zou het je niet zeggen, van mij is de wereld en wat daar leeft. Eet ik soms het vlees van stieren of drink ik het bloed van bokken?” 

God heeft niets tegen de offers, maar dankt zijn leven of voortbestaan of wilsbesluiten niet aan de hoeveelheden offervlees. God zelf had precieze instructies voor de offers aangegeven aan Mozes in de Thora (onder meer in Exodus 20, 27 en 30, Leviticus 1-7, 9, Numeri 18, 28 en Deuteronomium 12). En tegelijkertijd zie je al bij het eerste beschreven offers, die van Kaïn en Abel, de beide zonen van Adam en Eva, dat de hartsgesteldheid en gezindheid veel belangrijker zijn: “De HEER merkte Abel en zijn offer op, maar voor Kaïn en zijn offer had hij geen oog. Dat maakte Kaïn woedend, zijn blik werd donker. De HEER vroeg hem: ‘Waarom ben je zo kwaad, waarom kijk je zo donker? Handel je goed, dan kun je toch iedereen recht in de ogen kijken? Handel je slecht, dan ligt de zonde op de loer, begerig om jou in haar greep te krijgen; maar jij moet sterker zijn dan zij’.” (Genesis 4 verzen 4b-7). Zie je ook het woordspel met kijken, zien, gelaat, gezicht en acht op slaan? Je gezicht spreekt boekdelen en het is belangrijk elkaar recht in de ogen te kunnen kijken.

Hoe dicht de zonde op de loer ligt, bewijst het directe gevolg. Kaïn vraagt Abel mee te gaan naar het veld en vermoordt hem. Als je emoties geraakt worden en je in opvliegendheid of drift handelt, blijft de ratio als verliezer achter. God klaagt Kaïn aan en vervloekt hem. Hij heeft een speciale bescherming van God nodig om niet zelf ook door een willekeurige ander gewroken te worden (Genesis 4 verzen 8-15)
Dat hartsgesteldheid belangrijker is dan een offer van vlees en bloed zien we bij het bij het offer van Isaäk door zijn vader Abraham in Genesis 22, het offer van Elia op de Karmel in 1 Koningen 18 of het gebed van Hanna, de moeder van Samuël in 1 Samuël 1.

Tussen de voorschriften door in Deuteronomium 10 staat een herinnering in de verzen 12-13: “Israël, bedenk dus dat de HEER, uw God, niets anders van u vraagt dan dat u ontzag voor hem toont, dat u de weg volgt die hij u wijst, dat u hem liefhebt, hem met hart en ziel dient en zijn geboden en wetten, die ik u vandaag voorhoud, naleeft; dan zal het u goed gaan.”

Ter overdenking

“Wie is een God als u, die schuld vergeeft en aan zonde voorbijgaat? U blijft niet woedend op wie er van uw volk nog over zijn; liever toon u hun uw trouw. Opnieuw zult u zich over ons ontfermen en al onze zonden tenietdoen. Onze zonden werpt u in de diepten van de zee.” (Micha 7 verzen 18-19).