Psalm 13: God is mij vergeten

      No Comments on Psalm 13: God is mij vergeten

Dé levensvraag die gesteld wordt bij (onverwacht) lijden: waar is God als het pijn doet? Is Hij ons vergeten? Jezus Christus roept aan het kruis uit: “Eli Eli Lama Sabachthani?” (Mijn God, mijn God, waarom hebt U mij verlaten?), de openingswoorden van Psalm 22 aanhalend. In Psalm 13 gooit koning David God voor de voeten: “Hoe lang nog, HEER, zult u mij vergeten, hoe lang nog verbergt u voor mij uw gelaat? Hoe lang nog wordt mijn ziel gekweld door zorgen en mijn hart door verdriet overstelpt, dag aan dag? Hoe lang nog houdt mijn vijand de overhand?” De menselijke, herkenbare psalmist als het niet een beetje, maar echt gruwelijk tegenzit in je leven.

Hoe lang? Hoe lang? Hoe lang? Hoe lang?

David draait hier de rollen om. Waar God in de Thora viermaal ‘hoe lang’ vraagt: aan de farao vanwege de onderdrukking van Israël (Exodus 10 vers 3), aan het volk vanwege het niet gehoorzamen (Exodus 16 vers 28 en Numeri 14 vers 11) en het zich beklagen bij God (Numeri 14 vers 27), vraagt David in deze ene Psalm viermaal ‘hoe lang’.

In gedachten zie ik mezelf eindeloos ‘how long?’ meezingen met U2‘s bewerking van Psalm 40, dat terugblikt op een goddelijke redding en Hem prijst als de helper, bevrijder, liefdevolle, trouwe en onvergelijkbare. Hoe lang heeft bij U2’s 40 de vraag in zich hoevaak je nieuw in de mond gelegde lied moet blijven zingen. Juist als het tegenzit, kan een loflied je helpen om je te richten op God in plaats van de omstandigheden. Hij is immers de helper, bevrijder, liefdevolle, trouwe en onvergelijkbare, ik herhaal…

Mijn houding bij lijden, een beroep op de levende God

forget

foto: Urania77

Dat lijden bij het leven hoort, belooft God aan Zijn kinderen. In 2 Korinthiërs 4 verzen 8-10 erkent Paulus aan zijn lezers: “We worden van alle kanten belaagd, maar raken niet in het nauw. We worden aan het twijfelen gebracht, maar raken niet vertwijfeld. We worden vervolgd, maar worden niet in de steek gelaten. We worden geveld, maar gaan niet te gronde. We dragen in ons bestaan altijd het sterven van Jezus met ons mee, opdat ook het leven van Jezus in ons bestaand zichtbaar wordt.”

In Psalm 141 verzen 5-8 belooft David: “Zou een rechtvaardige mij slaan, het was mij een weldaad, zou hij mij straffen, het was balsem op mijn hoofd.  Zou ik lijden onder de kwaden, dan nog bleef ik bidden, en werden hun leiders van de rotsen geworpen, van mij hoorden ze woorden van deernis. Verspreid als de aarde, geploegd en omgewoeld ligt ons gebeente bij de muil van het dodenrijk. Maar HEER, mijn God: naar u zijn mijn ogen gericht, bij u schuil ik, giet mijn leven niet weg als water.” Ja, het is God die het leven geeft en neemt, maar niet die met kwade bedoelingen ons laat lijden of verzoekt. Daarom bidden we in het Onze Vader ook: “Maar geef ons niet over aan verzoekingen, maar red ons uit de greep van het kwaad.” (Mattheüs 6 vers 13).

Op de levende God beroept David zich vol vertrouwen ook in Psalm 13 verzen 4-6: “Zie mij, antwoord mij, HEER, mijn God! Verlicht mijn ogen, dat ik niet in doodsslaap wegzink. Laat mijn vijand niet roepen: ‘Ik heb hem verslagen.’ mijn belagers niet juichen omdat ik bezwijk. Ik vertrouw op uw liefde: mijn hart zal juichen omdat u redding brengt, ik zal zingen voor de HEER, hij heeft mij geholpen.”

In de vierde eeuw schreef een commentator bij deze verzen: “Het is genade te voelen als je God mist. De meesten voelen niets. De psalmist voelt het en stort zijn hart uit.” Het deed de groeigroep denken aan De Dijk Als ze er niet is: “Een man weet weet pas wat hij mist, als ze er niet is.” De Naardense Bijbel vertaalt vers 6: “Ik weet mij in uw vriendschap zeker,” Juist vanwege de band met de levende God voelt David het gemis als Hij er niet is.

Hebrews_4_14-1024x600

foto: fibreiv

“Nu wij een hooggeplaatste hogepriester hebben die de hemel is doorgegaan, Jezus, de Zoon van God, moeten we vasthouden aan het geloof dat we belijden. Want de hogepriester die wij hebben is er een die met onze zwakheden kan meevoelen, juist omdat hij, net als wij, in elk opzicht op de proef is gesteld, met dit verschil dat hij niet vervallen is tot zonde. Laten we dus zonder schroom naderen tot de troon van de Genadige, waar we telkens als we hulp nodig hebben barmhartigheid en genade vinden.” (Hebreeën 4 verzen 14-16).

“…ook wij zuchten in onszelf in afwachting van de openbaring dat we kinderen van God zijn, de verlossing van ons sterfelijk bestaan. In deze hoop zijn we gered. Als we echter nu al zouden zien waarop we hopen, zou het geen hoop meer zien Wie hoopt er oip wat hij al kan zien? Maar als wij hopen op wat nog niet zichtbaar is, blijven we in afwachting daarvan volharden. De Geest helpt ons in onze zwakheid; wij weten immers niet wat we in ons gebed tegen God moeten zeggen, maar de Geest zelf pleit voor ons met woordloze zuchten. God, die ons doorgrondt, weet wat de Geest wil zeggen. Hij weet dat de Geest volgens zijn wil pleit voor allen die hem toebehoren. En wij weten dat voor wie God liefhebben, voor wie volgens zijn voornemen geroepen zijn, alles bijdraagt aan het goede.” (Romeinen 8 verzen 23b-28).