Joël, voorzegger van Gods zegen en rechtvaardig oordeel

profeet joel op postzegelHet bijbelboek Joël is het 2e boek in de verzameling zogeheten Twaalf (kleine) Profeten. Joël is de zoon van Petuel, maar verder is over de man zelf weinig bekend. Hij profeteerde in Jeruzalem en de omliggende provincie Juda, waarschijnlijk in de laatste decennia vóór de ballngschap van Juda naar Babylonië (586 voor Christus), of na de ballingschap, omstreeks 400 voor Christus.

Afhankelijk in welk tijdperk je de profeet plaatst, heeft hij tijdgenoten met andere profeten. Zoals vaker bij de bijbelse profeten, is de boodschap belangrijker dan de boodschapper.

Hoofdstuk 1-2:17: verschroeide aarde, tekenen van Gods ingrijpen

sprinkhaanJoël spreekt de oudsten (leiders) en inwoners aan. De recente sprinkhanenplaag heeft het land in rouw gedompeld, boeren en wijnbouwers verrast. De oogsten zijn vernield, het volk wordt opgeroepen met gebed en vasten de HEER om hulp te smeken. Deze plaag en ook het naderend onheil, een volk dat het land zal verwoesten, zijn tekens van de dag van de HEER.

Ik merkte ook bij het behandelen van Joël in onze groeigroep, dat de neiging van medechristenen bij het lezen van de uitdrukking ‘dag van de HEER’ is direct aan het laatste oordeel, het ‘einde der tijden’ te denken, alsof alle oordelen van God opgespaard worden tot dat ene moment in de toekomst. Je stapt dan wel gemakkelijk over de voltrokken oordelen die – of je dat nu leuk vindt of niet – ook met zelfde uitdrukkingen als ‘dag van de HEER’ en tekenen van duisternis, donder en geweld worden beschreven.

“Daarom – spreekt de HEER – , keer nu terug tot mij met heel je hart en begin te vasten, te treuren en te rouwen. Niet je kleren moet je scheuren, maar je hart. Keer terug ttot de HEER, jullie God, want hij is genadig en liefdevol, geduldig en trouw, en tot vergeving bereid. Misschien herroept hij zijn vonnis, komt hij erop terug en laat hij toch iets van zijn zegen over, zodat jullie weer graan en wijn kunnen offeren aan de HEER, jullie God.” (Joël 2:12-14).

God wordt geattendeerd op zijn verantwoordelijkheid ten opzichte van zijn volk. Laat het volk met de priesters, de dienaren van de HEER smeken:

“Ach HEER, spaar uw volk, uw eigendom, geef het niet prijs aan spot en hoon van andere volken. Waarom zouden zij mogen schimpen: ‘En waar is nu hun God?'” (Joël 2:17).

Hoofdstuk 2:18-27, 3: Zegen wordt uitgegoten over mens, dier en gewas

uitgietenGod neemt zijn verantwoordelijkheid en hoort naar het gebed, zelfs als helemaal niet geschreven is dat de oproep van de profeet gehoor vindt bij zijn publiek. “Dan zal de HEER het opnemen voor zijn land en zich ontfermen over zijn volk.” (Joël 2:18). Zegen volgt voor het gewas, de mensen (bevrijding van overheersende volken) en dieren (eten genoeg) (Joël 2:19-26). God grijpt direct terug op de sprinkhanenplaag. Daarmee is deze ‘dag van de HEER’, dit oordeel zwaar en uniek geweest, maar zie je direct Gods eeuwige trouw voor zijn oogappel, het volk Israël.

“Dan zullen jullie inzien dat ik in Israëls midden ben, dat alleen ik, de HEER, jullie God ben; nooit zal mijn volk weer te schande gemaakt worden.” (Joël 2:27).

“Daarna zal zich dit voltrekken: Ik zal mijn geest uitgieten over al wat leeft. Jullie zonen en dochters zullen profeteren, oude mensen zullen dromen dromen, en jongeren zullen visioenen zien; zelfs over slaven en slavinnen zal ik in die tijd mijn geest uitgieten. Dan zal ik tekenen geven aan de hemel en op aarde: bloed en vuur en zuilen van rook, de zon verandert in duisternis en de maan in bloed. Dan komt de dag van de HEER, groot en ontzagwekkend. Dan zal ieder die de naam van de HEER aanroept ontkomen: op de Sion, in Jeruzalem, is een toevlucht te vinden, zoals de HEER heeft beloofd; ieder die hij roept zal worden gered.” (Joël 3:1-5).

God is in control. Hij antwoordt op ons gebed. Zijn zegen is niet bedoeld om een ontspannen, rijk leven te leiden. God neemt verantwoordelijkheid voor zijn volk en land. Als wij inzien dat alleen de HEER God is, is er ruimte voor zegen. De timing van gebeurtenissen (dan, daarna, op die dag) roept vragen op. Is dit allemaal in het verleden gebeurd? Verwachten we de dag van de Heer nog? Petrus haalt bij de uitstorting van de Heilige Geest in Handelingen 2 de bovenstaande profetie aan. Let op zijn interpretatie van ‘daarna’, het beperken tot mensen, het uitbreiden van de kring dienaren en dienaressen, en het weglaten van vers 5:

“Aan het einde der tijden, zegt God, zal ik over alle mensen mijn geest uitgieten. Dan zulle jullie zonen en dochters profeteren, jongeren zullen visioenen zien en oude mensen droomgezichten. Ja, over al mijn dienaren en dienaressen zal ik in die tijd mijn geest uitgieten, zodat ze zullen profeteren. Ik zal wonderen doen verschijnen aan de hemel boven en tekenen geven op de aarde beneden, bloed en vuur en rook. De zon zal veranderd worden in duisternis en de maan in bloed voordat de grote, stralende dag van de Heer komt. Dan zal ieder die de naam van de Heer aanroept worden gered.” (Handelingen 2:17-21). Voor Petrus zijn is niet het toevlucht zijn in Jeruzalem het belangrijkste, maar het aanroepen van de Heer om gered te worden. Ook opvallend is, dat het initiatief in Joël 3 bij God ligt (ieder die hij roept zal worden gered) en in Handelingen bij de mens (ieder die de naam van de Heer aanroept zal worden gered).

Apocalypse now of genezing van de volken?

apocalypse nowWaar wij (als christenen) geneigd zijn bij de tekenen van bloed, vuur en rook, bloedmanen en zonsverduisteringen, meteen apocalyptische taferelen voor de geest te halen, wijst Petrus op “Jezus uit Nazaret is door God tot u gezonden, hetgeen gebleken is uit de grote daden en de wonderen en tekenen die God, zoals u bekend is, door zijn toedoen onder u heeft verricht.” (Handelingen 2:22) en is het effect van de bekering en het discipelschap van Christus’ volgelingen: “De vele tekenen en wonderen die de apostelen verrichten, vervulde iedereen met ontzag.” (Handelingen 2:43). De eerste Pinksterdag ging niet gepaard met apocalyptische taferelen. Dat deel uit Joëls profetie is destijds niet uitgekomen, wel de uitstorting van de Heilige Geest op jong en oud als inlossing van de belofte die Jezus Christus vóór zijn hemelvaart heeft gedaan aan zijn discipelen.

Vergeving, genezing, bevrijding, opwekking van doden, heelwording van de mensheid, hetzelfde doen als Jezus Christus en zelfs meer dan dat (Johannes 14:12), in nauw overleg met God de Vader om in Christus’ naam hulp te vragen (Johannes 14:12-14) en daarom ook Gods geest te krijgen, de Geest van de waarheid (Johannes 14:16). Let ook op het vers 15 ertussen: “Als je mij liefhebt, houd je dan aan mijn geboden.”

Jezus draagt zijn leerlingen op: “‘Trek heel de wereld rond en maak aan ieder schepsel het goede nieuws bekend. Wie gelooft en gedoopt is zal worden gered, maar wie niet gelooft zal worden veroordeeld. Degenen die tot geloof zijn gekomen, zullen herkenbaar zij aan de volgende tekenen: in mijn naam zullen ze demonen uitdrijven, ze zullen spreken in onbekende talen, met hun handen zullen ze slangen oppakken en als ze een dodelijk gif drinken zal dat hun niet deren, en ze zullen zieken weer gezond maken door hun de handen op te leggen.’ Nadat hij dit tegen hen had gezegd, werd de Heer Jezus in de hemel opgenomen en nam hij plaats aan de rechterhand van God. En zij gingen op weg om overal het nieuws bekend te maken. De Heer hielp hen daarbij en zette hun verkondiging kracht bij met de tekenen die ermee gepaard gingen.” (Marcus 16:15-19).

Joël 4: smeed je ploegijzers maar om tot zwaarden

De omliggende volken zoals Assyriërs en Filistijnen die het volk Israël hebben overheerst en verstrooid ontmoeten de wrekende God. HJij verzamelt ze in de vallei van Josafat – het Kidrondal tussen Tempelberg / Sion en de Olijfberg in Jeruzalem, het afvalputje van de stad – om over hen te oordelen. “Jullie daden zullen op je eigen hoofd terugkomen.” (Joël 4:7b).

Met ironie worden de volken om Israël aangespoord: “Bereid je voor op de strijd, laten je helden aantreden, laat al je strijders nu ten strijde trekken! Smeed je ploegijzers maar om tot zwaarden en je snoeimessen tot speren, en laat de zwakke zich een held tonen.” (Joël 4:9-10). De joodse of christelijke lezer kent natuurlijk Micha 4:3: “Hij zal rechtspreken tussen de machtige volken, over grote en verre naties een oordeel vellen. Dan zullen zij hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk, geen mens zal meer weten wat oorlog is.” en Jesaja 2:4: “Hij zal rechtspreken tussen de volken, over machtige naties een oordeel vellen. Zij zullen hun zwaarden omsmeden tot ploegijzers en hun speren tot snoeimessen. Geen volk zal nog het zwaard trekken tegen een ander volk, geen mens zal meer weten wat oorlog is.”.

Terwijl op de berg Sion een toevlucht voor Gods volk is ingericht (Joël 3:5, 4:16-17), is de dag van de HEER een dag van oordeel over de niet-gelovigen: “Dichte drommen bijeen in de vallei van het oordeel! Nabij is de dag van de HEER. Daar zal hij oordelen! Zon en maan worden verduisterd, sterren doven hun glans. De HEER brult vanaf de Sion, hij gromt vanuit Jeruzalem, zodat hemel en aarde beven.” (Joël 14-16). Zegen voor Gods volk, verwoesting voor de omliggende landen en volken (Joël 4:18-21). God draait om, brengt gerechtigheid waar onrecht heerst.