Hosea: hartstochtelijk en bitter 2-2

hoseaIn een eerdere blogpost verkende ik de eerste 5 hoofdstukken van het profetenboek Hosea. Vandaag de hoofdstukken 6-14 die starten met een blijk van inkeer en antwoord van het volk op de liefde van God in hoofdstuk 6. Bijzonder is de termijn van 2 dagen dood zijn en op de derde dag door God opgewekt worden. Ook Jezus Christus stond op de 3e dag op het graf.

Hosea 6-7: oprecht berouw, graag!

God reageert fel vanaf Hosea 6:4. “Jullie liefde is als een ochtendnevel, als dauw die ‘s morgens vroeg verdwijnt. (…) Want liefde wil ik, geen offers; met God vertrouwd zijn is meer waard dan enig offer. (…) Ze zijn allemaal even trouweloos. Hun hartstocht lijkt op een oven die door een bakker zo hoog is opgestookt, dat hij er niet meer naar hoeft om te zien terwijl hij het deeg kneedt en laat rijzen. (…) Hoewel de hoogmoed van de Israëlieten tegen hen getuigde, zijn ze niet naar de HEER, hun God, teruggekeerd; ondanks alles hebben ze zich niet tot hem gewend. Efraïm is als een duif, onnozel en zonder verstand. (…) Onheil kome over hen, want ze hebben mij in de steek gelaten! Verderf over hen, want ze zijn tegen mij in opstand gekomen! Hoe kan ik hen bevrijden als ze mij in een kwaad daglicht stellen? Ze roepen niet eerlijk en oprecht tot mij, maar liggen te jammeren op hun bed.” (Hosea 6:4, 6, 7:4, 10, 12-14).

Israël wordt vergeleken met een onwillige koe, een onnozele duif, dommer dan een wilde ezel. Hoe beter het gaat met de mensen, des te sterker keren ze zich af van de HEER. God is voor hen een vreemde, een irritante plaag, die jeukt en ettert. Van een relatie tussen schepsel en Maker kun je niet (meer) spreken. Hoe tijdloos!

Hosea 8-11: God vergeten en verlaten, dus gestraft, maar is dat God?

Efraïm wordt gestraft. Voor God is de maat vol. “Al schrijf ik mijn wetten in tienduizendvoud, ze zijn voor hen als van een vreemde.” (Hosea 8:12). “Het is tijd voor de afrekening, de tijd van de vergelding is daar, laat Israël dat beseffen!” (Hosea 9:7). Een lange tirade tegen het volk volgt. Ze hebben er een potje van gemaakt, vertrouwd op holle frasen van koningen, zich overgegeven aan afgoderij. Het is Gods volste recht er radicaal mee af te rekenen. Maar in Hosea 11:8 wordt Zijn groter dan oordeel zijnde liefdevolle genade zichtbaar: “Ach Efraïm, hoe zou ik je ooit kunnen prijsgeven? Hoe zou ik je kunnen uitleveren, Israël? Zou ik je prijsgeven als Adma, je laten ondergaan als Seboïm? Mijn hart wordt verscheurd, door barmhartigheid word ik bewogen. Ik zal mijn toorn laten varen en Efraïm niet opnieuw te gronde richten. Want God ben ik, en geen mens, ik ben in jullie midden, ik ben heilig, ik zal niet meer in woede ontsteken.” (Hosea 11:8-9).

Hosea 12-13: koning of Koning?

De HEER is Israëls God al sinds de tijd in Egypte. De Exodus en het verblijf in de woestijn waren bedoeld om Gods trouw te tonen. “Door een profeet leidde de HEER Israël uit Egypte weg, door een profeet werd Israël gehoed.” (Hosea 12:14). Onderhuids zit het idee, dat het koninkrijk Israël tegennatuurlijk is. Had het volk maar niet voor een koning gekozen en zich willen laten leiden door God en Zijn profeten.

“Waar is die koning van je nu? Hij zou je toch redden, je steden beschermen? En je heersers? Je hebt toch om een koning en om leiders gevraagd? Ik heb je koningen gegeven in mijn woede – en in mijn toorn nam ik ze weer weg.” (Hosea 13:10-11).

Hosea 14: bij u vindt een wees ontferming!

Andermaal een oproep om terug te keren naar de HEER. “Kom met woorden van berouw en keer terug naar de HEER. Zeg tegen hem: ‘Vergeef ons al onze misdaden. Neem wat goed is van ons aan. Als offer brengen wij u oprechte woorden. (…) Immers, bij u vindt een wees ontferming!” (Hosea 14:3, 4b).

God geeft hoop, genezing en vrede. “Wie inzicht heeft doorgrondt deze woorden, wie wijs is neemt ze ter harte. Want de wegen van de HEER zijn recht: wie rechtvaardig is verlaat ze niet, maar wie zich verzet komt ten val.” (Hosea 14:10).