Ik zal hen bij mij fluiten en hen samenbrengen

zacharia door Jan van EyckHet boek Zacharia heeft twee delen die in verschillende tijdvakken uit diverse bronnen is samengebracht. Het auteurschap van de profeet Zacharia is in het eerste deel geen discussiepunt, bij het tweede wel. De stijl is anders, het vormt ook niet zo’n afgerond geheel als de eerste 8 hoofdstukken. De inleidingen ‘profetie’ zijn anders, gelijk overigens aan Maleachi. Datering van dit zogenaamde Deuterozacharia (“tweede Zacharia”) is lastig. Op 5 april behandelde ik het eerste, vandaag het tweede.

  • hoofdstuk 9-11: profetie over de glorieuze eindtijd voor Juda als volk van God;
  • hoofdstuk 12-14 orakels over de eindtijd voor Jeruzalem.

Hoofdstuk 9: meer dan Palmpasen

God behandelt de andere volken net als Israël. Niet alleen zal God afrekenen met onrecht van de volken om Israël heen, het zal ook een overblijfsel sparen en opnemen in Juda. (Zacharia 9:1-8). Dan volgt een lied, waarin Sion en Jeruzalem wordt opgeroepen voor God te schreeuwen van vreugde. De koning komt en rijdt nederig aanrijden op een ezel. De vredestichter die zal heersen over de hele aarde! (Zacharia 9:9-10). De evangelisten Mattheüs (21:5) en Johannes (12:14) zien met Jezus Christus’ entree in Jeruzalem (Palmpasen) de vervulling van het eerste deel en laten daarmee impliciet de lezers van hun evangelie de conclusie trekken dat het Koninkrijk van God, waarover Jezus preekt, ook de vervulling zal zijn van het tweede deel van dit lied in Zacharia 9.

Na dit lied volgt een uitleg (“want, …: ), dat je niet in de evangeliën aangehaald ziet worden, of in de geschiedenisboeken trots vermeld. God bevrijdt zijn volk, en zal het dubbel schadeloos stellen. Sion wordt als een heldenzwaard tegen de Grieken getrokken (9:13). De Griekse overheersing – Alexander de Grote leefde van 353-323 voor Christus, geeft aan, dat dit stukje Zacharia niet van de profeet die vanaf 520 voor Christus actief was, kan zijn. Als je “op die dag” (vers 16) erbij trekt en de constatering “Wat schitterend! Wat mooi! Jonge mannen en vrouwen bloeien op, gesterkt door wijn en graan.” (vers 17) contrasteert met de Griekse overheersing die vanaf 330 tot 164 voor Christus duurt, ligt vervulling van profetieën toch minder makkelijk dan je denkt.

Hoofdstuk 10: van schaap zonder herder naar strijdros

Eerst een lied, dan proza. In het lied opnieuw een frase “De mensen dolen rond als schapen, ontredderd, want een herder is er niet.” die in Mattheüs 9:36 en Marcus 6:34 aangehaald wordt. God zelf zal herder zijn voor Juda. Uit Juda: “komt de hoeksteenm voort, de tentpin en de oorloogsboog, uit dit volk komen alle overwinnaars.” (vers 4). Oorlogspropaganda volgt in de rest van het hoofdstuk. Juda en Efraïm zijn onoverwinnelijk dankzij Gods steun. Ballingen worden teruggebracht.

Hoofdstuk 11: Wee de nietsnut van een herder die de kudde in de steek laat!

God weidde zijn volk met vriendelijkheid en eenheid; de profeet krijgt de opdracht dit uit te beelden. ZIjn vorstelijke loon, 30 sjekel zilver, doet denkan aan het loon dat Judas Iskariot kreeg om zijn meester Jezus te verraden (Mattheüs 27). Leiders die hun land niet leiden, hebben bij God afgedaan, lijkt de conclusie van hoofdstuk 11.

Hoofdstuk 12: overwinningskracht en rouw voor Jeruzalem

De kracht die God aan Jeruzalem geeft, zal terreinwinst en vernietiging voor de volken om Juda heen leiden, leert hoofdstuk 12. Als contrast voor de vernietgende kracht zal God de inwoners van Jeruzalem en het huis van David “vervullen met een geest van mededogen en inkeer. Ze zullen zich weer na mij wenden, en over degene die ze hebben doorstoken, zullen ze weeklagen aks bij de rouw om een enig kind; hun verdriet zal zo bitter zijn als het verdriet om een oudste zoon.” (vers 10). De evangelist Johannes legt de link met het doorsteken van Jezus bij diens kruisdoor in Johannes 19:37 en Openbaringen 1:7.

Hoofdstuk 13: ontmaskerde, doorstoken valse profeten

In hoofdstuk 13 belooft God ook af te rekenen met valse profeten die Zijn naam misbruiken voor uitspraken die de dekmantel voor onreinheid vormden. In een goddelijke bron kan zonde en onreinheid afgewassen worden. Aan het bedrog van valse profeten komt een eind. Ze zullen hun oude ‘beroep’ verloochenen en slavenwerk verrichten om hun bedrieglijke verleden te maskeren.

Een derde deel….

Het laatste deel van hoofdstuk 13 is een afrekening met een herder aan wie God zich verbonden had. Zowel de herder (een leider) als tweederde van het volk komt als straf om. Een derde zal God sparen, louteren en opnieuw aan zich verbinden.

In Openbaringen 8 is de verhouding andersom. Dan is het gevolg van engelen die op een bazuin blazen, dat een derde deel van de aarde afbrandt, evenals een derde deel van de bomen en al het groen (vers 7), een derde deel van het water bloed wordt (vers 8), een derde deel van alle in zee levende wezens sterft  en een derde deel van alle schepen vergaat (vers 9). Een derde deel van al het water in rivieren en bronnen wordt alsem (vers 11), een derde van de zon, maan en sterren verduisterd wordt (vers 12), een derde deel van de mensen gedood wordt (vers 15,18). Opvallend is dat de context net als bij de oudtestamentische profeten gelijk is: “Maar de andere mensen, die deze plagen overleefden, keerden zich niet af van hun zelfgemaakte goden. Ze bleven die goden aanbidden en de beelden van goud, zilver, brons, steen en hout, die niet kunnen horen of zien en zich niet kunnen verroeren. Evenmin braken ze met hun leven van moord en toverij, van ontucht en diefstal.” (verzen 20-21).

Wie doodt welke herder?

Tijdens de bespreking van dit deel in de groeigroep viel op hoe gebruik van hoofdletters en noemen van tekstverwijzingen lezers in een richting van een specifieke uitleg gestuurd worden.

De Nieuwe Bijbelvertaling zet de verzen 7-9 van Zacharia 13 apart. “Zwaard, ontwaak! Verhef je tegen mijn herder, tegen de man met wie ik mij verbonden heb – spreekt de HEER van de hemelse machten. Dood de herder, zodat de schapen verdwalen. Weerloos als ze zijn zal ik ze treffen. In heel het land – spreekt de HEER – zal twee derde worden uitgeroeid en omkomen; slechts een derde deel zal worden gespaard. Dat deel zal ik louteren in het vuur: ik zal hen smelten als zilver en zuiveren als goud. Zij zullen mijn naam aanroepen en ik zal antwoorden. Ik zal zeggen: ‘Dit is mijn volk’ en en zij zullen zeggen: ‘De HEER is onze God’.”

Jezus betrekt in Mattheüs 26:31-35 een frase uit deze voorspelling op zichzelf: “Onderweg zei Jezus tegen hen: ‘Jullie zullen mij deze nacht allemaal afvallen, want er staat geschreven: “Ik zal de herder doden, en de schapen van zijn kudde zullen uiteengedreven worden.” Maar nadat ik uit de dood ben opgewekt, zal ik jullie voorgaan naar Galilea.’ Petrus zei daarop tegen hem: ‘Misschien zal iedereen u afvallen, ik nooit!’ Jezus antwoordde hem: ‘Ik verzeker je: deze nacht zul je, nog voor de haan gekraaid heeft, mij driemaal verloochenen.’ Petrus zei: ‘Al zou ik met u moeten sterven, verloochenen zal ik u nooit.’  Alle andere leerlingen vielen hem daarin bij.” In de paralleltekst in Marcus 14:27 wordt dezelfde frase aangehaald.

Het Nederlands Bijbelgenootschap heeft in de kantlijn van de passage uit Zacharia 13 uitleg staan, dat de profetie waarschijnlijk betrekking heeft op de tijd van de Makkabeeën, maar ook vooruitwijst naar een verre toekomst. De herder wordt in dit commentaar als leider van Israël gezien en het op zichzelf betrekken van de frase door Jezus opgemerkt. Op de EO website van de bijbel kun je niet naar de deuterocanonieke boeken Makkabeeën die in speciale NBV edities wel zijn opgenomen.

De Herziene Statenvertaling sorteert onbeschaamd voor op één uitleg, door de passage alsvolgt vorm te geven:

Zwaard, ontwaak tegen Mijn Herder

en tegen de Man Die Mijn Metgezel is,

spreekt de HEERE van de legermachten.

Sla die Herder

en de schapen zullen overal verspreid worden.”

De Naardense bijbel die doorgaans heel dicht tegen het Hebreeuws inclusief de loop van de tekst blijft, heeft:

Zwaard,

ontwaak tegen mijn herder,

tegen de man die mijn metgezel is,

is de tijding van de ENE, de Omschaarde;

sla de herder, dat de schapen verstrooid worden,

ik zal mijn hand keren tegen de geringen!”

Ongeacht de vertaling ziet de lezer die Zacharia 13 en Mattheüs 26 naast elkaar legt zonder aanvullende uitleg (hopelijk) dat de tekst niet letterlijk hetzelfde is. Hoewel veel moderne bijbelvertalingen met tekstverwijzingen lezers een vervulling of letterlijke aanhaling voorspiegelen – wie leest vanuit een studieboek of bij het horen van een preek alle verwijsteksten kritisch na? – wordt hier op een andere, dan wij nu in theologische opleiding of bijbelschool leren, uitleg gegeven. Mattheüs past hier regels voor interpretatie van de Tanach toe die Hillel de Oudere (110 BC – 10 CE) heeft uitgeschreven.

The Jewish Study Bible 2nd Edition (2014) presenteert het vers 7 als:

O sword!

Rouse yourself against My shepherd,

The man in charge of My flock – says the LORD of Hosts.

Strike down the shepherd

And let the flock scatter;

And I will also turn My hand

Against all the shepherd boys.”

en geeft in de voetnoten aan, dat de betekenis van het Hebreeuws voor “The man in charge of My flock” onzeker is. Het commentaar in de kantlijn luidt: “YHVH attacks His shepherd and His flock suffers. Suffering, however, refines the one-third that remains and eventually YHVH and this refined group come together. In B. Rosh Hash 16b-17a, v.7 is understood in terms of the (rabbinic) Day of Judgement. In that day, there will be three groups of people. The first two, the pious and the wicked are respectively the “inscribed and sealed” for eternal life of Gehenna. The middle group goes down to Gehenna where they scream v.,7 (among a few other vv.) and as they do they identify with the third mentioned here and hope for their fate.”

Mark McEntire gaat opvallend niet in op Zacharia 13 in zijn A Chorus of Prophetic Voices (2015).

Zelf heb ik bij de uitleg de context van de eerdere Zacharia hoofdstukken gerespecteerd en bij Jesaja, Jeremia en Ezechiël dezelfde patronen gevonden. Herders zijn vaker in de afgelopen hoofdstukken de lokale leiders (koningen, priesters en valse profeten) in het land Israël die voor Vriendelijkheid en Eenheid moesten zorgen, maar hun plicht verzaakten, de eredienst in de tempel van de HEER verruilden voor afgodendienst en Hem niet meer zochten (Zacharia 11, Jeremia 23). Daarom worden ze gestraft, zowel de leiders als het volk. Een klein deel van het volk wordt gespaard en vindt genade bij God en maakt een doorstart als een kudde onder Gods herderschap (zie Micha 5:1-4). God zelf straft de goddelozen met zijn eigen zwaard (zie parallelteksten in Jeremia 47:6, Ezechiël 21:4-10, 21:28) zijn volk, zijn oogappel, het koningshuis van David met wie Hij zich eeuwenlang verbonden heeft (Ezechiël 34:23-24, 37:20-28, Jesaja 9-12, Jeremia 23:5-6, ). Let ook op de verschillende Davids. in Johannes 10 maakt Jezus Christus zich bekend als de tweede, de goede herder. De schrijver van de Hebreeën verwerkt dit beeld in zijn bemoediging in hoofdstuk 13:20-21. De rest van Hebreeën staat trouwens in het licht van het tekortschieten van het eerste verbond en het belang van een nieuw verbond tussen God en Zijn volk. En in Openbaring 19 tenslotte zie je in de verzen 16-17 over Jezus Christus: “Uit zijn mond komt een scherp zwaard waarmee hij de volken zal slaan, en hij zal hen met een ijzeren herdersstaf hoeden. Hij zal de wijnpers van de hevige woede van de almachtige God treden. Op zijn kleding en op zijn dij staat de naam ‘Hoogste Heer en Koning’.”

Hoofdstuk 14: God komt weer op de Olijfberg

Hoofdstuk 14 vertelt over de strijd die volken op een dag zullen voeren om Jeruzalem. De helft van de inwoners zal in ballngschap worden weggevoerd, de rest niet. Daarna zal God afrekening gaan houden met de volken die dit op hun geweten hebben. Hij zal zijn voeten op de Olijfberg ten oosten van de stad zetten en een aardbeving veroorzaken. Het dal tussen de geweken twee bergketens geeft het overblijfsel van de mensen in Jeruzalem de kans om te vluchten. Er zal op die dag geen licht zijn. Wanneer deze dag komt, weet alleen de HEER. Pas tegen de avond komt er weer licht. God laat dan in Jeruzalem een bron van zuiver water ontspringen. De ene helft zal in het oosten in zee (nu: Dode Zee) en de andere helft in het westen (Middellandse Zee) uitmonden. Zie Ezechiël 47:8 voor hetzelfde beeld.

De engelen beloven de discipelen die Jezus net hebben zich opstijgen van de Olijfberg, dat Hij op dezelfde wijze terugkomt (Handelingen 1:11-12). Lukas, de schrijver van de Handelingen, verbindt daarmee de profetie uit Zacharia. Ook Johannes buurt bij Zacharia als hij Openbaringen 1:7 samenstelt: “Hij komt te midden vqan de wolken, en dan zal iedereen hem zien, ook degenen die hem doorstoken hebben. Alle volken op aarde zullen over hem weeklagen. Ja, amen.” 

De rest van Israël – nu toch echt heuvelachtig – wordt zo vlak als de Jordaanvallei.

Een afgrijselijke plaag treft de volken die tegen Jeruzalem hebben gestreden. God de oorlogsbuit in Jeruzalem verzamelen, zoals Hij al aan Haggai heeft beloofd. De overlevenden van de volken zullen jaarlijks naar Jeruzalem optrekken om er met de Joden het Loofhuttenfeest te vieren. Levens en bezittingen zullen God toebehoren.

Als je, zoals Egypte denkt het met de Nijl ook zonder regen te kunnen stellen om toch succesvol landbouw te kunnen plegen, en dus vertrouwt op eigen kracht, heb je God tegen je. (Zacharia 14:18-19).