Brandend van liefde neem ik het op voor Jeruzalem

zacharia door Jan van EyckDe 11e van de 12 zogenaamde Kleine Profeten in de bijbel is Zacharia, de zoon van Berechja, de zoon van Iddo die vanaf 520 voor Christus werkzaam was in Jeruzalem. De bevolking van Juda en Jeruzalem was bijna 70 jaar daarvoor weggevoerd in ballingschap naar Babylon door Nebukadnessar II. Nu, onder de Perzische vorst Darius I, profeteert Zacharia. Het boek Zacharia heeft twee delen die in verschillende tijdvakken uit diverse bronnen is samengebracht.

  1. hoofdstuk 1-8 bevatten visioenen en profetieën met een verhalend karakter. Daarbinnen zijn drie delen te onderkennen, ingeleid met een datering.
    1. hoofdstuk 1:1-6: oproep terug te keren naar de HEER;
    2. hoofdstuk 1:7-6:15: een reeks van acht visioenen;
    3. hoofdstuk 7:1-8:23: een terugblik en bemoediging voor de toekomst, plus opdracht om de tempel te herbouwen en rechtvaardig te handelen.
  2. hoofdstuk 9-14 bevatten profetieën zonder verhalend karakter. Twee delen zijn te onderscheiden, elk voorzien van een opschrift.
    1. hoofdstuk 9-11: profetie over de glorieuze eindtijd voor Juda als volk van God;
    2. hoofdstuk 12-14 orakels over de eindtijd voor Jeruzalem.

In deze blog post behandel ik deel 1, in een volgende post deel 2.

Oproep terug te keren naar de HEER

Eerdere oproepen van profeten om terug te keren naar de HEER hebben niet geholpen. Met de sterfelijke profeten zijn de voorouders van het publiek dat Zacharia in het jaar 520 voor Christus toespreekt omgekomen. Nu krijgt de oproep wel gehoor. “Toen kwam het volk tot inkeer en erkende: ‘De HEER van de hemelse machten heeft vanwege onze handel en wandel met ons gedaan wat hij zich had voorgenomen.'” (Zacharia 1:6). Het gaat God om het vervolg, niet alleen met de mond belijden, maar ook doen wat Hij zegt: terugkeren van dwaalwegen, breken met kwalijke praktijken (Zacharia 1:4).

Acht visioenen

  1. Ruiters van de HEER doorkruisen de aarde en constateren dat het overal vredig en stil is. Een engel smeekt God hoe lang Hij nog wacht met het erbarmen tonen aan Jeruzalem en Juda. De HEER antwoordt de engel die de bemoediging doorgeeft aan Zacharia. God heeft zijn toorn al eens laten varen, zag hoe de omringende volken Juda en Jeruzalem harder aanpakte, en zal zich brandend van liefde voor Jeruzalem en Juda over Zijn oogappel ontfermen. Zijn toorn zal nu de zelfgenoegzame volken treffen. (Zacharia 1:8-15). Gods tempel en de stad Jeruzalem zullen herbouwd worden. Gods steden zullen overvloeien van voorspoed, uitverkozen zijn en troost vinden (Zacharia 1:16-17).
  2. Vreemde volken (uitgebeeld door vier horens) hebben Juda uiteengedreven en zijn verzet gebroken (Zacharia 2:1-4) en op hun beurt worden ze door andere volken neergeslagen (uitgebeeld door vier smeden) (Zacharia 2:4).
  3. Een (waarschijnlijk heel lang) meetlint om de toekomstige stad op te meten, maar in het nieuwe Jeruzalem zijn geen muren nodig. Het moet een open stad worden, zoveel mensen en dieren zullen er wonen. God zelf zal zijn stad als een muur van vuur beschermen en de stad met zijn luister vullen (Zacharia 2:5-9).
  4. De hogepriester Jozua wordt van alle smet en vuiligheid gereinigd. Hij krijgt schone kleren. Zijn aanklager, Satan, moet zwijgen. Jozua en zijn priesters moeten de tempel beheren, Gods voorschriften in acht nemen en Zijn tekens uitleggen. God verbindt zich met Zijn volk en de priesters zullen in een heilige kring worden opgenomen en weer mogen genieten van de opbrengst van het land (Zacharia 3:1-10).
  5. Landvoogd Zerubbabel die ook bij Haggai een hoofdrol speelt, zal niet alleen de nieuwe tempel grondvesten, maar ook afbouwen. Een teken dat in de vorige profetie gebruikt wordt, een steen, waarop zeven ogen rusten, voor Jozua gelegd, wordt uitgelegd en opnieuw gebruikt. In de vijfde profetie heeft landvoogd Zerubbabel deze steen met goddelijke inscriptie in zijn handen. Net als in Haggai wordt duidelijk, dat priester en landvoogd samen optrekken om Gods plan, de herbouw van de stad en tempel, plus de geestelijke opvoeding van het volk, aan te pakken. De zeven lampen in de vijfde zijn de ogen van de HEER, die over de hele aarde gaan. De ogen van de HEER rusten met welgevallen op de gegraveerde steen in de handen van Zerubbabel. De twee gezalfden staan naast de HEER van de hele aarde. (Zacharia 4).
  6. De vloek van God rust op de dief en degene die meineed pleegt, uitgebeeld door een vliegende boekrol, waarop de vervloekingen staan. (Zacharia 5:1-4).
  7. Verdorvenheid wordt zelf verbannen naar Babel (andere naam voor Sinear). Daar zal het op een voetstuk gezet worden, maar ook ten val komen. Gods land wordt gereinigd. (Zacharia 5:5-11).
  8. God stuurt zijn ruiters uit over de aarde. De ruiters die naar het noorden (Babel) gestuurd worden, zullen ervoor zorgen, dat Gods woede over het volk Juda tot bedaren komt. (Zacharia 6:1-8).

Hoofdstuk 2:10-17 is een intermezzo, een oproep aan het nog in ballingschap in Babel levende volk van Juda. Daar blijven is niet veilig. God rekent af met degene die aan Zijn oogappel komt. Jeruzalem en het land van Juda zijn opnieuw het bezit van God en uitverkoren.

Hoewel uitleggers van profetieën met een voorliefde voor de eindtijd diverse invullingen hebben gezocht voor de twee gezalfden uit hoofdstuk 4:14, ligt een aansluiting bij het 4e en 5e visioen toch het meest voor de hand. Zowel hogepriester Jozua als landvoogd Zerubbabel hebben meer dan een streepje voor bij God. Dit zijn de mannen die door God zijn uitverkozen, Gods ogen op zich hebben en vrij van duivelse aanklachten zijn, met andere woorden, een goddelijke zalving en heiliging hebben. Herlees anders Haggai nog eens.

Terugblik en oproep vooruit te kijken, de tempel te herbouwen en rechtvaardig te handelen

Hogepriester Jozua en landvoogd Zerubbabel hebben een belangrijke positie in de nabije toekomst. De ballingen Cheldai, Tobia en Jedaja die uit Babel zijn gekomen, hebben geschenken meegebracht. Van het goud en zilver moet Zacharia een kroon laten maken en op het hoofd van hogepriester Jozua zetten en profeteren. Niet dat Jozua zelf koning wordt, dat zal ‘een man met de naam Telg, die aan de stam zal uitbotten’ zijn, die samen met een prioester het land in goede vrede zullen besturen, als het volk luistert naar de HEER hun God. De bestuurlijke duobaan van Jozua en Zerubbabel krigt daarmee een goddelijke zegen. (Zacharia 6:9-15).

Het zich gedwongen voelen om in de vrijfde en zevende maand te rouwen en te vasten vanwege de ballingschap, het verlies van de tempel en Jeruzalem, haal niets uit. God spreekt de afgevraardigden uit Bethel toe. Als je eet en deinkt doe je omdat je dat zelf wilt. Is het verplichte vasten dan echt voor God? Wat God echt wil:

  • spreek eerlijk recht
  • wees goed en zorgzaam voor elkaar
  • onderdruk geen weduwen en wezen en ook geen vreemdelingen en armen
  • wees er niet op uit om een ander kwaad te doen

Als je niet luistert naar God, zoals de voorouders deden, trekt God zijn zegen terug, wordt het land door je eigen toedoen een woestenij. (Zacharia 7).

Net als in hoofdstuk 1:14 stelt hoofdstuk 8:2: “Dit zegt de HEER van de hemelse machten: Ik brand van liefde voor Sion; met vurige liefde neem ik het op voor Jeruzalem.” God keert terug naar Zijn heilige berg en haalt zijn verstrooide volk terug naar Jeruzalem. “Daar zullen ze wonen. Zij zullen mijn volk zijn en ik hun God, in onwankelbare trouw.” Als het volk weer rechtvaardig handelt, zullen de aangewezen vastendagen veranderen in feestdagen. Gods vloek wordt geruild voor zegen. Gods volk wordt aanstekelijk voor andere volken. Joden wordt gevraagd om óók God te mogen aanbidden. (Zacharia 8).