Uit de duisternis zal licht schijnen

“Omdat God ons in zijn barmhartigheid deze taak gegeven heeft, verzaken wij onze plicht niet. Integendeel, we hebben ons afgekeerd van heimelijke lafheid: we gaan niet sluw te werk, vervalsen het woord van God niet, maar maken de waarheid openlijk bekend. Zo bevelen we ons ten overstaan van God aan bij ieders geweten. Wanneer er dan toch nog een sluier ligt over het evangelie dat wij verkondigen, geldt dit alleen voor hen die verloren gaan: de ongelovigen, van wie de gedachten door de god van deze wereld zijn verblind, waardoor ze het licht van het evangelie niet kunnen zien, de luister van Christus, die het beeld van God is. Wij verkondigen niet onszelf, wij verkondigen dat Jezus Christus de Heer is en dat wij omwille van hem uw dienaren zijn. De God die heeft gezegd: ‘Uit de duisternis zal licht schijnen,’ heeft in ons hart het licht doen schijnen om ons te verlichten met de kennis van zijn luister, die afstraalt van het gezicht van Jezus Christus. Maar wij zijn slechts een aarden pot voor deze schat; het moet duidelijk zijn dat onze overweldigende kracht niet van onszelf komt, maar van God.” (2 Corinthiërs 4 verzen 1-7)

Dus als je licht in de duisternis wilt, keer je dan naar God die het Licht van de wereld is en naar de aarde kwam om de schuld die wij door onze zonden op ons hebben geladen weg te doen. Zoals gezang 153 verwoordt:

“God enkel licht, voor wiens gezicht niets zuiver wordt bevonden, ziet ons bevlekt, met schuld bedekt, misvormd door duizend zonden.

Der sterren pracht is bij Hem nacht, hoe hel zij schitt’ren mogen, en wij, belaan met euveldaan, wat zijn wij in zijn ogen?

Heer, waar dan heen? Tot U alleen! Gij zult ons niet verstoten. Uw eigen Zoon heeft tot uw troon de weg ons weer ontsloten.

Ja, amen, ja, op Golgotha stierf Hij voor onze zonden, en door zijn bloed wordt ons gemoed gereinigd van de zonden.

Wil, U ter eer, steeds meer en meer ‘t geloof in ons versterken, dan zullen wij, gereed en blij, uit liefde ‘t goede werken.”

Dan kun je Kerst ook echt vieren, jubelen van vreugde en meezingen: “…..Het licht van de Vader, licht van den beginne, zien wij omsluierd, verhuld in ‘t vlees: goddelijk kind, gewonden in de doeken! Komt, laten wij aanbidden, komt, laten wij aanbidden, komt, laten wij aanbidden die Koning.”