Twee testamenten – reden tot vreugde of bron van tegenspraak

Cees den Heyer brengt in dit tweede deel van een tweeluik over de Bijbel (in 2006 verscheen Het boek der verandering, De Bijbel als bron voor een alternatief christendom) het spotlicht op het Oude Testament, het eerste deel van ‘onze’ Bijbel. De inleiding opent met “De christelijke bijbel is geen eenheid”, waarmee de zoektocht start naar de zin, toegevoegde waarde en leeswijzer voor wat we als christenen het Oude Testament hebben genoemd. De van oorsprong Nieuwtestamenticus, maar tevens Bijbels theoloog Den Heyer staat uitgebreid stil bij de canonisatie van het Oude Testament, het ontstaan van zowel een Hebreeuwse Tenach (basis voor de joodse relgie) als een Griekse Septuagint (basis voor de Griekstalige schrijvers van het Nieuwe Testament). Twee testamenten hecht belang aan de intertestamentaire boeken (ook wel deuterocanonieke boeken genoemd) als aan de deuterocanonieke/apocriefe nieuwtestamentische geschriften zoals het Evangelie van Tomas. Den Heyer gaat hierbij uit van de stelling, dat met terugwerkende kracht het Oude Testament gevuld is, er vooral verhalen van mensen over God in staan, en God woorden in de mond zijn gelegd. De Bijbel is daarmee niet (langer) Gods Woord. De auteurs zijn geen spreekbuizen van God (p.12). Het brengt menig profeet of “God sprak”-passage in de Bijbel in discrediet. Waar Den Heyer beoogt los van dogmatische vooronderstellingen theologie te bedrijven (p.8) en historisch kritisch bijbelonderzoek als hoogst gewaardeerde (p.142) wordt gepercipieerd, noemt Den Heyer zelf de gevolgen “Verwonderlijk is dat niet, want deze benadering van de bijbel slaat het fundament weg onder belijdenis en dogma. In de boeken van Genesis tot en met Openbaring openbaart God zich niet, maar schrijven mensen over hun geloof, hun vertrouwen en hun twijfels, hun vreugde en verdriet.” Wie niet zelf op zoek gaat in de Bijbel en (wat ik dan houd voor) God tot zich laat spreken, en alleen luistert naar dergelijke theologische stellingen (leuk he, want bevestig of weerleg die maar eens op wetenschappelijke wijze), raakt snel zijn geloof kwijt.

Ik kan een eind met de theoloog meegaan, waar het gaat om de ellende die het annexeren van het Oude Testament als christelijk boek, of het alleen maar allegorisch interpreteren van oudtestamentische schriftgedeelten gaat. Ook de titels Oude en Nieuwe Testament leveren vanwege hun gevoelswaarde veel onvrede op. Natuurlijk kan het Oude Testament voor de joodse gelovige op zichzelf staan, hoewel Talmud en Midrash (verrassend weinig belicht door Den Heyer) als hulpmiddelen voor interpretatie en toepassing worden gebruikt. Dat menig Talmud tractaat ook zeer creatief met bijbeluitleg omgaat (waar Twee Testamenten zo’n broertje dood aan heeft) blijft onvermeld. Tja, en als we Jesaja 7 en 53 niet meer in perspectief van Jezus Christus als Verlosser mogen lezen (p. 84 ev), wordt het christelijk geloof – deze lijn doortrekkend – eentje van een boek dat ons goed zal doen (laatste zin van het boek op p.152), niet een persoonlijke relatie met God, of de vruchtbare werking van de Heilige Geest.

We hoeven Marcion niet te volgen die in de 2e eeuw het Oude Testament wilde afschaffen, een in de lijn van het boek wellicht verrassende conclusie. Wat blijft is een aantal boeken in eigen stijl, culturele context, geschreven door een keur aan mensen, waarin we vrijblijvend kunnen buurten.